'Het mysterie of de totale onttovering'

Medailles behaald door Nederlanders vergroten de nationale trots, weet sportfilosoof Ivo van Hilvoorde. „Maar die dwang is verontrustend.”

Olympische Spelen in 2028 Nederland? Dat zouden veel mensen wel leuk vinden. Ook sportliefhebber en gelegenheidswielrenner Ivo van Hilvoorde zou daar zeker van kunnen genieten. En als het moet kan Nederland de Spelen zeker organiseren. Maar waarom? En waarom zoveel drukte en zoveel ambitieuze plannen? „Heel Nederland wordt er in meegesleept. We hebben elkaar zelfs aangepraat dat een plaats bij de beste tien sportlanden ter wereld een voorwaarde van de kandidatuur van Nederland is. Waarom?”, vraagt sportfilosoof Van Hilvoorde zich af.

Hij verwijst naar Rio de Janeiro, dat in 2016 de Olympische Spelen mag organiseren. Eenvoudigweg omdat Zuid-Amerika aan de beurt was. Niet omdat Brazilië zo nadrukkelijk in beeld probeerde te komen. Ook niet omdat Brazilië zo hoog stond in de medaillestand: 23ste, voor een land met 200 miljoen inwoners. „Niemand die zich in Brazilië zorgen maakte. Niemand die bezeten op jacht is geweest naar nog meer medailles. En dan roepen ze hier: toptien!”

Merkwaardig, die fixatie op medailleklassementen, vindt Van Hilvoorde. „Niemand gaat straks de straat op, als Nederland de top tien heeft gehaald. En Nederland haalt echt niet de Olympische Spelen binnen omdat we in de top tien staan. Sterker nog: in 2028 is India of Afrika aan de beurt om de Spelen te organiseren. Het is vooral bestuurderstaal die als doel heeft te enthousiasmeren en wellicht trots en superioriteitsgevoel te creëren. Wij als klein land zijn beter dan het grote Duitsland.”

Een exclusieve fixatie op een medaillespiegel getuigt, volgens hem, van een platte kijk op sport. „De Wielerunie wil de baansport stimuleren omdat op dat onderdeel de kans op een medaille groot zou zijn. Stel je voor: kinderen die naar de wielerbaan worden gestuurd omdat bestuurders menen dat ze medailles moeten halen. Hoe ver moet je daarin gaan? Kinderen kunnen zelf uitzoeken waar ze plezier in hebben, en hoeven niet gedwongen te worden in het landsbelang. Niet ieder kind wil baanwielrenner worden?”

Men zou het sportverdwazing kunnen noemen. Een Olympisch Plan 2028 lanceren om Nederland meer te laten bewegen, tot meer sportbeoefening aan te zetten. „Het gaat vooral ook om prestige. Kijk Nederland eens goed zijn. Natuurlijk zorgt het voor nieuw elan, voor motivatie, werkgelegenheid, meer kennisontwikkeling. Iedereen wil meedoen. We gaan ergens voor. Er is hoop. Dat we er toe doen. Maar je kunt je ook afvragen of er niet te veel geld wordt geïnvesteerd. En wie gaat ervan profiteren? Alleen de elite. Je zou in het kader van ontwikkelingshulp India en Afrika kunnen steunen de Spelen binnenhalen. Het gaat nu alleen om eigen belang. Als je niet voor bent, ben je tegen. Ik ben niet bij voorbaat tegen, maar een genuanceerd gesprek erover blijkt nu al lastig. Maar die dwang is verontrustend.”

Van Hilvoorde doet met de sportsociologen Agnes Elling en Ruud Stokvis onderzoek naar de relatie tussen sport, medailles en nationale trots: How to influence national pride. Identificatie speelt daarin een grote rol. „Het doet wat met je zodra een Nederland meedoet en presteert. Niemand was in het Russische voetbal geïnteresseerd, totdat onze Guus Hiddink er bondscoach werd. Bayern München is de beste club van het door ons soms zo gehate Duitsland. Maar nu Louis van Gaal er coach is, zijn we nota bene een beetje voor Bayern. Dat biedt naast de streling van ons nationale gevoel ook de mogelijkheid op een blik in een andere cultuur. Zo komen we ook meer te weten over Duitsers. Of in andere gevallen op Russen, Spanjaarden en Italianen. Dat is het mooie aan de sport.”

Is het slecht om patriot te zijn, verwijst naar Van Hilvoorde naar een vraag van de Duitse filosoof Immanuel Kant. Kun je dat moreel verantwoorden? „Je moet eigenlijk kosmopoliet zijn, namens de hele wereld opereren, zoals met de natuur. Maar je moet toch ook voor je eigen groep zijn, voor je gezin, je familie, je dorp en je land. Dat verbindt en verbroedert. Dus moet je niet alleen aan Afrika denken. Bij sport speelt dat heel sterk. Patriottisme kan gepaard gaan met superioriteit: we zijn beter dan die. Ook bij de Grieken speelde dat al. Zij waanden zich superieur, omdat ze meenden de beste dichters, filosofen, kunstenaars en sporters te hebben. Bij sport kan dat van de ene op de andere dag veranderen. Nu Rusland is uitgeschakeld voor het WK voetbal, is Hiddink niet meer zo superieur, niet meer heilig. Voordat je het weet zijn we als Nederlanders toch een grijs, middelmatig volk.”

Het is waar: sportprestaties die voor het oog van de wereld worden geleverd, vergroten ’s lands gevoel van eigen waarde. „In de jaren vijftig en zestig telde Nederland niet mee. Toen kwamen de voetballers van Feyenoord, Ajax en van het Nederlands elftal met hun successen. Het voelde alsof Nederland weer het middelpunt van de wereld was. Nu het wat minder gaat, ontstaat een overcompensatie: we moeten wat doen om weer mee te tellen. Meer medailles, meer baanwielrenners, meer beachvolleyballers, meer surfers. Kunnen we niet alle kinderen in een gymzaal opsluiten, zodat we in 2028 alleen maar medaillewinnaars hebben?”

Wat gebeurt er met sporters die koste wat kost – wel of niet gedwongen door de omgeving – grote prestaties willen behalen. Helden willen zijn, geëerd willen worden tot in de dood. Ze grijpen naar middelen, doodeenvoudig om tekorten aan te vullen. Farmacologische middelen, maar ook en mogelijk nog meer technologische. Doping, het beladen woord valt. Wat is dat toch, vraagt Van Hilvoorde zich af, dat mensen in een kramp schieten zodra het woord doping valt? „Zodra een sportman zich heeft bediend van doping, gaat het alarm af: dat mag niet, dat hoort niet, een doodzonde. Wie doping gebruikt is een verrader. Het verhaal erachter wordt niet evenwichtig belicht, dat mensen ambities najagen en soms iets moeten doen om tekorten aan te vullen. Waarom is medicinale doping verboden, en zijn technologische hulpmiddelen als klapschaatsen, zwempakken, druppelhelmen, triatlonsturen, psychologische hulp en goeroes wel toegestaan? Het antwoord daarop lijkt eenvoudig, maar is het niet.”

Zodra we niet kunnen zien wat de sportman heeft gedaan om beter te worden, worden we argwanend. „Als er een spuit in de huid gaat, of pillen worden geslikt, is het ongezond. Dat vinden we ziek, niet ethisch. Maar het komt in veel gevallen neer op het zorgvuldig aanvullen van onnatuurlijke tekorten. Aanvullen van tekorten. Die amechtige jacht op mensen die hun bloed op medicinale middelen hebben verrijkt is toch vreemd. Waarom mag dat niet? Greg LeMond versloeg in 1989 Laurent Fignon in de slottijdrit van de Tour de France dankzij een triatlonstuur, dat nog door geen enkele wielrenner was gebruikt. Prachtig was dat. Niemand zei: oneerlijk.”

De sport van nu drijft mensen tot het onmogelijke. „Wat verwachten we nog van een groot sportman? Iets ongelooflijks, iets goddelijks. Maar hij moet ook mens blijven. In Menschlich allzu menschlich filosofeert Friedrich Nietzsche over mens zijn en tegelijk übermensch zijn. We willen dat schaatsers, wielrenners en atleten geweldig zijn, maar ze moeten wel gewoon blijven. Dat kun je niet verwachten van mensen. Dat leidt tot verwachtingspatronen die niet menselijk zijn, met alle nare gevolgen van dien.”

„In de pre-moderne sport bestond er een meer op harmonie gebaseerd ideaal van de mens”, weet Van Hilvoorde. „De Grieken hadden al een Bildungsideal, gebaseerd op de ontplooiing van alle kwaliteiten. Of het nu sport, filosofie, muziek of poëzie betrof. De mens moest zich veelzijdig ontwikkelen. Nu worden veel mensen gedwongen een specifiek talent uit te baten. Dat kan op gespannen voet komen te staan met de homo ludens. De spelende mens heeft altijd bestaan, plezier zoeken uit verveling door werk en andere verplichtingen. Vanzelf ontstond vervolgens de behoefte aan vergelijking. Kun jij de speer verder gooien dan ik? En later het idee van Pierre De Coubertin, de bedenker van de moderne Olympische Spelen, dat met gezonde, sterke mensen oorlogen gewonnen konden worden. Eenvoudig: als wij gezonder en sterker zijn dan andere volken, zijn wij geweldig en vergroot dat onze trots. Alleen, denk ik, dat we tegenwoordig wel eens doorslaan. Gedwongen. Ons wordt voorgeschoteld dat we ons gezonder gaan voelen door sport. Maar ook omdat landgenoten zo geweldig zijn en zoveel medailles en titels winnen.”

Welk systeem willen we? Dat een meisje van 13 jaar wordt gestigmatiseerd omdat zij de dopingcontroles – wel of niet gedwongen door haar omgeving – omzeilt. Omdat haar broer verdacht is. Willen we dat systeem? „Als je erover nadenkt zie je inderdaad de absurditeit. Dat mensen elkaar opjagen en verdacht maken zodra de jacht op succes mysterieuze vormen aanneemt. Sporters die in de race naar goud afvallen, laten we aan hun lot over. En dat om het gezonde imago van sport in stand te houden. Kiezen we voor het mysterie, of voor de totale onttovering?”