Gezocht: juffen en meesters

De overheid probeert op alle mogelijke manieren leraren te werven. De crisis heeft het tekort niet opgelost. Tien wervingsprojecten evenmin.

Als eerste komt de 29-jarige Aart Gieske binnen. Hij draagt een overhemd, gestreepte trui onder een jasje. Zwarte broek en schoenen. Hij wil graag scheikundeleraar worden, zegt hij, en zet zijn tas op de grond. „Goedemorgen iedereen, we gaan verder met onze les over water, maar eerst ga ik een testje doen.” Hij pakt een plastic Spa Blauw-flesje. „Dit is voor de helft gevuld met water en voor de helft met alcohol. Jullie mogen me gaan vertellen wat er gebeurt.”

Daarna laat hij een briefje van twintig euro zien, dat hij nat maakt. Hij wurmt een aansteker uit zijn broekzak en steekt het biljet aan. Er is een vlam, maar het geld verbrandt niet. „Weet iemand hoe dit kan?”, kijkt hij de cirkel rond. Stilte. „De alcohol verbrandt, maar water is heel moeilijk te verhitten.”

Gieske is een van de sollicitanten voor Eerst de Klas. Dat is een project waarbij twintig talentvolle academici twee jaar voor de klas komen te staan, een lerarenopleiding volgen aan de Universiteit Utrecht en tegelijkertijd een leiderschapsprogramma doen in het bedrijfsleven. De selectie is scherp. De jury kijkt streng. De kandidaten moeten eerst laten zien dat ze het in zich hebben om leraar te worden. Zoals bij Idols of So you think you can dance.

De proeflessen van tien minuten worden beoordeeld door een jury. Daarin zitten leraren, mensen uit het bedrijfsleven en andere deskundigen. Als Gieske klaar is met zijn les, begint het overleg achter gesloten deur. „Ik zou hem zó nemen”, zegt Luc Bessems opleidingencoördinator van het Eerste Christelijk Lyceum Haarlem. Annick Dezitter (locatiedirecteur Da Vinci College, Leiden): „Hij zal uitgeprobeerd worden. Hij ziet er leuk uit, de meisjes zullen hem testen.”

Bessems: „Ja. Maar zó zie ik de goede starter binnenkomen.”

Dezitter: „Klopt.”

Drie weken later weet Aart Gieske dat hij door is. Hij en 19 andere sollicitanten zijn de nieuwe leraren van Eerst de Klas in 2010. De overheid hoefde niet te smeken om hun keuze voor het onderwijs. Ze wilden graag. Gretig gingen ze de strijd aan met zestig andere kandidaten. Ze ondergingen twee selectierondes, een persoonlijkheidstest, deden een groepsopdracht. Sommigen draaiden voor de proefles ook nog inventief lesmateriaal in elkaar. De leraar is niet langer de schlemiel die niets beters wist te verzinnen dan een baan in het onderwijs, maar een talentvolle, gemotiveerde academicus.

Klassikaal lesgeven mocht niet meer

Vooral leraren zelf droegen de afgelopen jaren bij aan een slecht imago van hun vak. Zij klaagden steen en been over de vernieuwingen in het onderwijs van de jaren negentig die het niveau van de lessen hadden doen dalen. De leraren vonden dat de overheid hun vak had afgepakt. Wat veel leraren het liefst doen, klassikaal lesgeven, mocht niet meer. En de lerarensalarissen bleven achter bij salarissen in de markt.

Dat moest anders, vond het kabinet. Om de kwaliteit van het onderwijs op te krikken, zijn goede en tevreden leraren essentieel. Daar moesten er dan wel genoeg van zijn. In september 2007 publiceerde een commissie onder leiding van SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan een alarmerend rapport. Er dreigde een groot tekort aan leraren. Bij ongewijzigd beleid zouden scholen hun leerlingen voor sommige vakken naar huis moeten sturen.

Twee jaar later is de economische crisis het geluk van het onderwijs. Leraren verlaten hun ‘zekere’ baan in het onderwijs minder snel, en meer mensen ambiëren die vastigheid. Scholen kunnen de komende vijf jaar 23 procent van de vacatures vrijwel probleemloos vervullen, tegen 8 procent twee jaar geleden. Dat blijkt uit cijfers van deze week van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht.

Maar de crisis lost het lerarentekort niet op. Het probleem zal na de crisis in versterkte mate terugkomen. Vorig jaar hadden de scholen 820 onvervulde vacatures op een totaal van 167.000 leraren. Volgens een conservatieve schatting van Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt loopt het aantal vacatures in 2015 op tot 7.500. Vacatures die dus niet kunnen worden vervuld.

Het ministerie van Onderwijs heeft de ernst van de situatie begrepen en tracht op alle mogelijke manieren leraren te werven. Het beleid is gewijzigd. Leraar hoef je niet je hele leven te zijn, zei staatssecretaris Van Bijsterveldt onlangs. De bewindsvrouw is blij met iedereen die, ook al is het tijdelijk, voor het onderwijs kiest.

Een multitalent als Aart Gieske, bijvoorbeeld. Hij zal waarschijnlijk niet zijn hele leven voor de klas staan. De bedoeling is dat hij vier dagen per week in het onderwijs werkt en één dag een leiderschapsprogramma volgt bij een groot bedrijf als Shell of DSM. Over twee jaar wacht hem een aanstelling als leraar. Of hij kiest voor de multinational die hem misschien een baan aanbiedt. Dit project is gemodelleerd naar het succesvolle Britse project Teach First waar uiteindelijk 40 procent van de deelnemers het onderwijs prefereert. Dat is winst. „De mensen die we nu binnenkrijgen, zouden normaal gesproken niet kiezen voor het onderwijs”, zeggen vertegenwoordigers van het onderwijs. En iemand met ervaring in de klas heeft een toegevoegde waarde, vindt het bedrijfsleven. Een goede leraar is vaak een goede manager.

Aart Gieske zelf wil „heel graag”. Hiervoor deed hij anderhalf jaar onderzoek voor een nieuw soort schone-energietechniek. „Dat was wel erg fundamenteel, en solitair. Tot laat ’s nachts in het lab, waarbij ik ook nog heel stil moest zijn omdat mijn onderzoek geluidgevoelig is.” Hij wilde toch liever „met mensen” werken.

Drie traditionele routes

Om leraar te worden, kun je traditioneel kiezen uit drie routes. De pabo is een vierjarige hbo-opleiding die opleidt tot onderwijzer voor de basisschool. Het hbo kent ook vierjarige opleidingen tot leraar in een specifiek vak op de middelbare school, bijvoorbeeld de lerarenopleiding scheikunde of geschiedenis. De derde route is via de universiteit – een masterstudent geschiedenis kan na zijn studie een éénjarige scholing tot leraar volgen.

Onder invloed van het lerarentekort hebben studenten aan de universiteit de afgelopen anderhalf jaar twee nieuwe mogelijkheden gekregen. Wie onderwijzer wil worden op de basisschool, kan kiezen voor de academische pabo. En bachelorstudenten hebben de educatieve minor als kortere route naar docentschap in het voortgezet onderwijs. Zij volgen tweeënhalf jaar een gewone studie, bijvoorbeeld geschiedenis, en krijgen dan een half jaar didactische training.

Dergelijke routes, moeten meer studenten verleiden. Maar er zijn nog tal van andere losse projecten door het ministerie van Onderwijs in het leven geroepen om het lerarentekort te bestrijden. NRC Weekblad onderzocht tien van dergelijke projecten. Deze projecten moeten ambtenaren, gepensioneerden en mensen uit het bedrijfsleven overhalen om voor het onderwijs te kiezen. En de leraren die er zijn, worden gestimuleerd te blijven.

Dit jaar besteedt het departement 449 miljoen euro aan die projecten (zie kader). Het grootste deel van het geld, 411 miljoen euro, gaat naar leraren die al voor de klas staan. Zij krijgen meer loon, mogen zichzelf bijscholen en krijgen meer carrièremogelijkheden. Dat acht het ministerie nodig om leraren voor het onderwijs te behouden én om het beroep aantrekkelijker te maken voor mensen die in de toekomst het leraarschap overwegen. Volgens minister Plasterk van Onderwijs krijgen leerkrachten er als onderdeel van dit plan bovenop de inflatiecorrectie dit jaar drie procent salaris bij. Een inhaalslag. „De afgelopen tien jaar is het salaris van leraren 15 procent gaan achterlopen op dat van de gemiddelde werknemer”, zegt Henriëtte Maassen van den Brink, hoogleraar economie aan de Universiteit Maastricht en Universiteit van Amsterdam.

Daarnaast geeft het ministerie dit jaar 18 miljoen euro uit aan projecten die nieuwe leerkrachten moeten aantrekken. Ze hebben namen als Zij-instroom en Wijs Grijs in het Onderwijs. Het resultaat dit jaar: 500 nieuwe leraren, 300 assistenten en 350 studenten op de nieuwe lerarenopleidingen.

De verschillen tussen de projecten zijn groot. De snelle academische route naar het docentschap is een groot succes, maar de poging rijksambtenaren te interesseren voor het onderwijs faalde opzichtig. Het leverde vijf nieuwe docenten op. Joost Pijpers, die het project coördineerde namens het Rijk: „Dat aantal viel vies tegen. Scholen haalden liever een ervaren leraar van de concurrent dan een ambtenaar zonder onderwijservaring in huis.” Het project kreeg geen vervolg. Volgens Pijpers hebben scholen nu nog de relatieve luxe om een ambtenaar, die nog moet worden bijgeschoold, te weigeren. Over een paar jaar, denkt hij, kunnen scholen zich dat niet meer veroorloven.

Halfbevoegde leraren

Staatssecretaris Van Bijsterveldt wil zo veel mogelijk nieuwe leraren binnenhalen. Maar zijn de nieuwe leraren die komen wel goed genoeg? Scholen vechten om de 23 kandidaten van Eerst de Klas. („Mag ik die natuurkundeleraar Freek Venneman asjeblieft onder mijn arm meenemen?”, zei locatiedirecteur Dezitter van het Da Vinci College in Leiden tijdens de tweede selectieronde). Maar zij zijn de uitzonderingen. De Algemene Onderwijsbond noemt de educatieve minor een opleiding tot „half-bevoegde” leraar, omdat de studenten te weinig scholing zouden krijgen. Deze studenten hebben tweeënhalf jaar bachelorstudie en een half jaar didactische vorming achter de rug als ze les mogen geven aan vmbo-klassen. Dat is anderhalf jaar gewone studie en een half jaar didactische training minder dan de academici die de gebruikelijke route volgen.

Nog veel minder scholing krijgen de 300 studenten die werken als Persoonlijk Assistent van de Leraar (PAL). De bedoeling is dat deze studenten leraren assisteren, bijvoorbeeld bij het nakijken van proefwerken en geven van bijles. Voor de studenten is het een aardige bijbaan, en wie weet wekt het project hun interesse om zelf leraar te worden.

Maar in de praktijk blijken sommige ‘pallers’ zelfstandig voor de klas te staan. Met hooguit één avond didactische instructie moeten ze in hun eentje een middelbare schoolklas onderwijzen. De eigenlijke leraar komt af en toe kijken hoe het gaat.

Een didactische training van „minimaal een maand” is toch wel een voorwaarde voor iemand die voor een klas komt, zegt Theo Wubbels. Hij is hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit Utrecht en grondlegger van de academische pabo – de universitaire variant van de hbo-opleiding tot leraar basisonderwijs. De grondgedachte van Van Bijsterveldt – alles wat werkt is welkom – deelt hij. Op één voorwaarde: „Die nieuwe leraren moeten natuurlijk wel voldoende niveau hebben.”

Onder voorwaarden mogen scholen gebruik maken van onbevoegde docenten. Minister Plasterk heeft de Inspectie onlangs gevraagd om scherper toezicht te houden op de bevoegdheid van docenten.

Juffen willen niet verhuizen

Zijn de inspanningen van de overheid voldoende om het groeiende lerarentekort aan te kunnen? Dat is moeilijk te voorspellen. Het tekort aan leraren varieert per regio, per niveau en per vak. In het basisonderwijs wordt het probleem deels veroorzaakt door het feit dat de meeste vrouwen – 80 procent van de leerkrachten – niet bereid zijn om te verhuizen voor hun werk. De Randstad, waar het tekort groot is kan niet rekenen op basisschoolleraren uit Oost-Groningen, Zuid-Limburg of Zeeland waar de bevolking vergrijst en de klassen krimpen. Leraren, vaak vrouw of al wat ouder, gaan bovendien meer in deeltijd werken. Dat helpt niet.

Middelbare scholen zoeken vooral leraren voor de exacte en economische vakken, zegt het ROA. De vraag naar academisch geschoolde eerstegraadsleraren is lager dan naar tweedegraadsleraren, met een hbo-opleiding achter de rug. Dat klinkt raar. Was het niet zo dat het onderwijs jeremieerde om het gebrek aan academisch geschoolde krachten?

Jawel, scholen willen best eerstegraders, zegt onderzoeker Frank Cörvers (ROA), maar die zijn duur. „Daarom kiezen ze toch maar voor tweedegraders. Scholen doen dus aan downgrading.”

In de regio Haaglanden is vooral het tekort op middelbare scholen nijpend. Leraren aardrijkskunde of Duits zijn vooral gewild. Naar schatting wordt een kwart van de lessen op middelbare scholen in deze regio gegeven door on- of onderbevoegde leraren. Dat is niet de bedoeling, maar scholen zeggen niet anders te kunnen. Wat moet je anders, zeggen ze. De kinderen naar huis sturen?

Veertig middelbare scholen in die regio werken samen om het tekort te bestrijden. Zij melden zich gezamenlijk aan voor de talrijke projecten van het ministerie. Ze hopen studenten van de educatieve minor te strikken. Deze scholen halen pallers, Eerst de Klassers en gepensioneerden binnen.

Zoals 67-jarige Theo Willemsen, leraar aardrijkskunde. Een paar jaar geleden ging hij met pensioen, maar nu staat hij weer voorin. En hij kan het nog altijd. Een tweede klas havo op het Adelbert College in Wassenaar is muisstil als Willemsen een definitie geeft van de term ‘productie’. „Hij spreekt veel netter dan wij”, zegt de 14-jarige leerlinge Karlijn Brouwer. Zijn handschrift, zegt Lisette Bakker (12), is „van vroeger, heel schuin”. Maar hij is wel een goede leraar, zegt Jill Honig (13). Karlijn moet bij een proefwerk altijd denken aan de voorbeelden die Willemsen heeft gegeven. „Hij snapt onze humor alleen minder snel dan een jongere leraar.”

Willemsen heeft „een dijk aan ervaring”, zegt rector Ben Dijkmans van het Adelbert. „Zijn stijl van lesgeven past niet helemaal bij het ideaalbeeld van het Adelbert. Hij is veel zelf aan het woord, terwijl wij proberen om leerlingen de helft van de les zelf te laten werken. Maar ik ben heel blij met hem.” Zijn leeftijd vormt geen probleem, zegt Dijkmans. „Voorwaarde is dat de leraar met plezier lesgeeft en nog goed met kinderen kan omgaan.”

Te versnipperd

Henriëtte Maassen van den Brink, hoogleraar economie, erkent dat het ministerie veel doet om de positie van leraren te verbetereren en nieuwe leraren aan te trekken. Maar de projecten daarvoor vindt ze te versnipperd. „Er moeten een paar grote projecten komen, die moeten dan wetenschappelijk worden onderzocht op hun effectiviteit.”

Rector Ben Dijkmans van het Adelbert College in Wassenaar ervaart de versnippering in de praktijk. „Wij doen mee aan zes, zeven verschillende projecten. Alles om maar nieuwe leraren aan te trekken. Maar ik kan soms niet meer uit elkaar houden voor welk project ik geld moet aanvragen uit welk potje. In dat aanvragen, evalueren en terugkoppelen gaat ook veel tijd en geld zitten.” Het zou volgens Dijkmans een beter idee zijn als het geld voor al deze projecten rechtstreeks naar de school zou gaan. „Dan kunnen we onze eigen plannen maken.”

De ‘aanstichter’ van het overheidsbeleid om het lerarentekort te bestrijden, SER-voorzitter Rinnooy Kan, ziet „veel goede wil” bij de bewindslieden. „Maar er moet nog veel gebeuren. Een van mijn aanbevelingen was dat leraren weer trots moeten worden op hun beroep. Dat gaat mondjesmaat.”