Gas, kuch en bomen

Karel Knip

Overweldigend was het aantal reacties dat binnenkwam op de vraag waarom vroeger zo vaak brood tegen het lichaam werd gesneden. De AW-aflevering van 7 november over de geschiedenis van de boterham was geïllustreerd met een plaatje van een stevige dame in goed humeur die dat overtuigend deed. Het was een tekening van de Nieuw-Zeelander Ernest Heber Thompson uit 1916. Vind hem en andere met de afbeeldingen-functie van Google en de trefwoorden ‘cutting’ en ‘bread’.

Waarom drukten veel mensen vroeger het brood waar ze een plak af wilden snijden tegen het lichaam? Het gaat toch veel beter op een tafel? Dat was de vraag. Geen enkele lezer heeft een duidelijke oplossing kunnen geven. De meesten beperkte zich tot een bevestiging van de gewoonte: ja, dat werd vroeger gedaan, nog wel tot in de jaren vijftig. Er werd soms eerst een theedoek over de schouder gelegd voor het brood in de arm werd genomen. En er waren speciale messen voor, uitgerust met een ijzeren beugel die achter de elleboog werd geklemd.

Maar waarom zo moeilijk gedaan? Men kwam er niet uit. Misschien was er geen tafel, of geen tafel die stevig genoeg was, misschien waren de grote broden van vroeger niet te hanteren, was de korst te hard of juist te slap. Het wezenlijke verschil tussen snijden op tafel en snijden tegen het lichaam is dat in het laatste geval de al gedeeltelijk losgesneden plak op het onderliggende brood blijft rusten en daardoor minder makkelijk afbreekt. Als het historische brood vertikaal werd gesneden zou het misschien misgaan.

Interessant is dat aard en vorm van het Nederlandse brood in de negentiende eeuw flink veranderde. Vóór 1800 werd op het platteland en bij minder welgestelden voornamelijk roggebrood gegeten. Tarwebrood was voor de rijken. Maar de Franse Revolutie democratiseerde het gebruik van tarwebrood, schrijft het Bakkerijmuseum in Hattem, na 1800 wordt het eten van roggebrood snel de uitzondering. Later zal het tarwebrood veranderen als speciale bakkersgist ter beschikking komt (in plaats van brouwersgist) en als men ertoe overgaat brood te bakken in blikken, blikken die de bakker bussen noemt. AW-hypothese: het in de armen nemen van het brood is een zinloos geworden gewoonte die stamt uit de tijd dat het brokkelige roggebrood gesneden werd.

Vorige week is hier uitgelegd dat de mensheid en ook het overige gedierte op aarde het uitstekend kan stellen zonder bomen. De bomen die er vandaag de dag staan dragen niets bij aan het zuurstofgehalte van de atmosfeer omdat ze alle zuurstof die ze produceren als ze leven en in blad staan ook weer opnemen als ze sterven en verteren. Hebben bomen dan ook geen invloed op het kooldioxidegehalte van de atmosfeer, vragen bedremmelde lezers, is de bos bijplant ter compensatie van een spilziek leven ook onzin?

Nee, dat is niet het geval. Het zuurstofgehalte van de atmosfeer is met ongeveer 21 procent veel en veel hoger dan het CO2-gehalte dat maar 0,038 procent. is. Kooldioxide is een sporegas waarvan de concentratie heel makkelijk is te verstoren.

Reken het zelf uit, er zijn verrassend weinig basisgegevens voor nodig. Eerst het stationaire geval. Hoeveel zou de CO2-concentratie dalen als er maximaal bos werd bij geplant? Neem aan dat van het aardse landoppervlak (149 miljoen km2) de helft geschikt is voor bosaanplant. Op de andere helft wil geen boom groeien of staat al bos. Neem verder aan dat vijf procent van het bruikbaar oppervlak vol bos komt te staan. Meer zal het vast nooit worden. Dan hebben we 3,7 miljoen km2 bos, dus 3,7 x 108 hectare.

Raadpleeg de bosbouwliteratuur. Het gemiddeld koolstofgehalte (boven- en ondergronds) van een volgroeid bos ligt rond de 150 ton koolstof per ha. Maar een groot deel van onze bossen zàl niet volgroeid zijn. Bovendien vervangen ze een vegetatie waarin ook al koolstof lag opgeslagen, vooral ondergronds. We nemen aan dat dankzij het bos 50 ton C/ha méér wordt opgeslagen dan voorheen. Voor alle bossen bij elkaar is dat 18,5 gigaton koolstof. De atmosfeer zelf bevat in totaal 700 gigaton koolstof, door het bos wordt daar dus maxiaal 2,5 procent aan onttrokken. Dat is evenveel als de concentratie op dit moment in vijf jaar stijgt.

Geen overdonderend effect dus. Heeft bosaanplant dan geen zin? Toch wel. Als men bos in korte omloop gaat telen, bijvoorbeeld steeds na dertig jaar weer kapt, en het vrijgekomen hout gebruikt om er elektriciteitscentrales mee te stoken dan verandert het beeld. Dan kan flink worden bezuinigd op de inzet van fossiele brandstof.

Neem aan dat de volgroeide bossen 90 ton C/ha bovengronds hebben opgeslagen en dat daarvan gemiddeld per jaar 1/30ste dus 3 ton/ha beschikbaar komt. Dan is dat voor de hele wereld: 1 gigaton koolstof per jaar. Op dit moment produceert de mensheid zo’n 7 gigaton per jaar en het houtgebruik kan dit dus flink verminderen. Zo aantrekkelijk is het om vanachter de computer klimaatanalyses te maken.

De illustratie hiernaast laat een ‘storm kettle’ zien. Er wordt water in aan de kook gebracht door een klein hout- of papiervuurtje dat in het centrum brandt. Het is dus een buitenbrander die gebruik maak van centrale verhitting, het principe dat hier op 14 november als bijzonder efficiënt is beschreven. Lezer Rien B. wees op het bestaan van de kettle die op internet geen aandacht te kort komt. B. kocht er een in Wales.

Voor in de rugzak is het geval wat te volumineus en te zwaar, maar het moet mogelijk zijn een handzamere versie te ontwerpen. Al jaren probeert de AW-redactie de kampeerbranche, die het vooral om geld te doen lijkt, tot aardige innovaties te inspireren. De brander met centrale verhitting is zo’n idee. Gisteren was er opeens de vraag of er niet een simpele brander is te ontwerpen die carbid verstookt. Carbid (CaC2) vormt met water het gas ethyn (acetyleen) dat per gram een uitstekende verbrandingswarmte heeft. Het carbid zelf is zwaar maar het minimale gewicht van de carbidbrander zou dit kunnen compenseren. Ook hieraan is naar hartelust te rekenen.