Expertdiscussie

Zet overheid niet buitenspel bij levensbeëindiging pasgeborene

Voormalig kinderchirurg Jan Molenaar betoogt in Opinie & Debat van 21 november dat het beëindigen van het leven van een pasgeborene alleen een zaak is van de ouders en de arts. Normen opstellen voor zulke beslissingen acht hij onmogelijk, omdat artsen het daarover onderling nooit eens worden.

De bijdrage van Molenaar is een stap terug in de discussie. Want we zien tegenwoordig in dat met een adequate controle op levensbeëindiging ook altijd een publiek belang is gemoeid. Ouders en artsen mogen dan als eerste verantwoordelijk zijn voor een verantwoorde beslissing, ze zijn dat nooit als enige. Niet voor niets verplicht art. 2 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) de overheid tot bescherming van ieders leven. Art. 2 EVRM biedt ruimte voor uitzonderingen op het strafrechtelijk verbod van levensbeëindiging.

Het tweede belangrijke inzicht dat de discussie van de afgelopen twintig jaar heeft opgeleverd, is dat artsen, als beroepsgroep, bij het formuleren van die uitzonderingen een grote stem moeten hebben. Ten eerste omdat ze relatief veel kennis hebben van de omstandigheden waaronder de vraag naar levensbeëindiging zich soms opdringt, ten tweede omdat vrijwel geen enkele juridische regel effectief is zonder ‘lokale’ handhaving, in de vorm van sociale controle.

Het formuleren van normen voor levensbeëindiging is dus in belangrijke mate een zaak van artsen, maar niet omdat het anderen ‘niet aangaat’. Daarom is de medische beroepsgroep nu aan zet. Zolang artsen het onderling echter niet eens zijn, is adequate regulering een illusie. Daar hebben ze zelf ook last van: tot die tijd zullen ze iedere keer dat ze het leven van een pasgeborene beëindigen, het fiat van de samenleving moeten missen.

Alex Bood

Verbonden aan het wetenschappelijk bureau van het OM. Hij schrijft dit op persoonlijke titel.

Onderzoek naar radicalisme is ook onafhankelijk onderzoek

Onder de kop ‘Islamonderzoeker is geen overheidsdienaar’ presenteert Thijl Sunier, de nieuwe hoogleraar ‘Islam in Europa’ aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, zijn onderzoeksagenda (Opinie, 24 november). Hij wil onder meer onderzoek doen naar vormen van religiositeit die zich niet beperken tot moskeebezoek, en naar de manier waarop ‘gewone’ moslims de islam inpassen in hun dagelijks leven. Dit zijn zeker zaken die het waard zijn om onderzocht te worden. Het is alleen jammer dat Sunier het nodig vindt zijn eigen plannen af te zetten tegen onderzoekers die moslimradicalisme bestuderen. Deze onderzoekers volgen in de visie van Sunier blindelings de overheid en ontwikkelen geen eigen onderzoeksagenda. Als co-auteur van onderzoek naar radicalisme in opdracht van lokale, nationale en Europese overheden ben ik zo vrij om me aangesproken te voelen. Suniers kritiek impliceert een zware beschuldiging, namelijk dat onderzoek naar radicalisme niet onafhankelijk is. Het is meer dan verbazingwekkend dat Sunier geen enkel argument voor zijn aanklacht aanvoert.

Het zou de nieuwe hoogleraar sieren als hij onderkent dat collega’s van hem ook een eigen onderzoeksagenda hebben, en dat het feit dat die soms in samenwerking met lokale en nationale overheden uitgevoerd wordt, niets zegt over de wetenschappelijke onafhankelijkheid van dat onderzoek. Het zou Sunier nóg meer sieren als hij de presentatie van zijn eigen onderzoeksagenda niet afhankelijk maakt van de studies van andere islamonderzoekers.

Jean Tillie

Bijzonder hoogleraar Electorale Politiek, Instituut voor Migratie en Etnische Studies, Universiteit van Amsterdam.

Dit zijn fragmenten uit langere expertdiscussies, te lezen via nrc.nl/expert