Emerita

Emeriti hoogleraren, dat waren voor mij grijze of kale mannen die in laag tempo aan kwamen schrijden door het middenpad van de aula, struikelend over hun toga omdat die nog uit hun kaarsrechte periode stamde en de heren inmiddels wat gekrompen waren. Dat waren babbelkousen die bij de receptie extra lang de hand van de erepromovendus vasthielden, alsof ze iets van de glorie van die persoon in zich wilden laten vloeien. Mannen, allemaal mannen die je aan de praat hielden met hun eigen opvattingen over die of die richting, waarover ze allang achterhaalde inzichten ventileerden.

Nu ben ik zelf emeritus. Ik ben er al in diverse interviews voor uitgekomen, ik heb het afscheid aanvaard, maar ik kan u verzekeren dat ik het er niet mee eens ben. In de tandartsstoel vroeg de assistente me of ik echt mevrouw Mathijsen uit 1944 was, alsof ik met de verzekeringspapieren aan het knoeien was. Ik wilde net gaan verklaren dat ik nooit gerookt heb en nooit in de zon gezeten, en nog zo wat van die dingen om uit te leggen waarom ik er niet als 65 uitzie, toen ze een slang in mijn mond stopte en zei: ‘een goed gebit helpt ook’. Het voelt alsof ik uit de kast gekomen ben, en dat voelt niet goed. Jarenlang heb ik mijn leeftijd een beetje in het midden gelaten, verdoezeld, wilde ik mijn geboortejaar niet bij een artikel hebben staan. Maar nu was er het onverbiddelijke feit van de AOW en het aflopen van de dienstbetrekking. Het 67-pensioen gaat er bij de universiteit nog niet in en bij elk ingeleverd hooglerarensalaris juicht de financiële afdeling.

Nu ik er zelf bij hoor zie ik hoeveel kwieke, alerte emeriti er zijn die nog vrolijk rondhuppelen in het vak. Martin Veltman is de leeftijdskampioen (1931), gevolgd door mijn collega-columnist Piet Borst (1934) en Arnold Heertje (1934). Daar zijn bijvoorbeeld Henk van Os (1938), Fik Meijer (1942) en Bram de Swaan (1942) kindprofessoren bij, om nog maar te zwijgen van peuters als Piet de Rooy (1944) en Herman Pleij (1943). Mannen die nog volop in beweging zijn. Het is een schrale troost voor mij, want dat beeld van kromme vergane glorie kan ik niet kwijtraken als ik het woord emeritus hoor. Ach, was ik maar hoogleraar in Amerika, dan kon je tot in het oneindige doorgaan. Hoe ze dat doen als iemand echt zo seniel is geworden dat hij niet eens meer weet dat hij het is, weet ik ook niet.

Niet dat het afscheid zelf vervelend was, integendeel, ik ben er nog beduusd van. Ik heb een speciaal voor mij geschreven boek gekregen, en een album amicorum met brieven aan mij. Er is bij de DBNL een website geopend met letterkundige brieven die speciaal voor mij uitgekozen zijn. Ik mag de eerste Jacob-van-Lennep-lezing geven. De toespraken maakten mij verlegen, ik kreeg een lintje opgespeld, er was een indrukwekkend symposium georganiseerd. Mijn verloofde en mijn dochter hadden een bonte feestavond opgezet en ik kreeg verbluffend mooie cadeaus. Het feest had ik voor geen goud willen missen, alleen jammer van de aanleiding.

Niet dat ik reden heb om ongerust te zijn over het vak. Mijn leerstoel is doorgegeven aan de best denkbare opvolger, die de modernste letterkunde bestudeert, en dat is goed. Mijn vak heet Moderne Nederlandse Letterkunde en daar hoort een hoogleraar bij die ook de nieuwste literatuur bestudeert. We hebben een ploeg jonge enthousiaste docenten, die het vak nieuw elan ingeblazen hebben. Sinds een paar jaar groeit het aantal studenten flink. Daar ligt het dus niet aan dat ik moeite heb met mijn pensioen. Dat bij die jonge ploeg geen echte negentiende-eeuw specialist zit baart me wel zorgen, maar dat is niet de hoofdzaak van mijn ongemakkelijk gevoel.

Ik hoef ook de studenten en het onderwijs niet te missen. Dat zou ik het ergste hebben gevonden, als ik werkelijk mijn werkplek had moeten ontruimen. Als ik merk dat ik een groep studenten mee de negentiende eeuw in krijg, dan juicht mijn hele wezen. Als ik ze na het college op de gang verder hoor discussiëren over het verschil tussen de poëzie van de Tachtigers en die van het Symbolisme, kan ik daar zo tevreden van raken, dat minder prettige beslommeringen van de universiteit daartegen wegvallen. Ik trek me op aan hun vitaliteit. Een van de ploeg jonge docenten is een Vlaming. De studenten corrigeren lachend zijn Vlaamse uitdrukkingen, terwijl hij hun gebrek aan spellingkennis hekelt. Ze mailen mij het webadres van The Library of Congress toe, waarop historische Nederlandse foto´s staan. Onder de opdrachten die ze in moeten leveren zijn altijd verrassingen. Zo kreeg ik een knorrige brief, zogenaamd van Droogstoppel, na een opdracht over Max Havelaar.

Het onderwijs en de studenten blijven dus. Ik ga gewoon door tot ik moe ben of tot anderen mij moe zijn. Ik heb afspraken kunnen maken dat ik mijn kamer op de universiteit houd, en vrijwillig colleges geef. Het mooie is dat ik alleen die cursussen geef die mijn hart hebben. De negentiende eeuw dus, misschien nog eens een uitstapje naar de twintigste eeuw met Harry Mulisch of Hans Faverey. Cursussen die ik altijd braaf uit plichtsbesef heb gegeven, zoals literatuurtheorie en onderzoeksvaardigheden, hoeven niet meer.

Er is nog meer dat niet meer hoeft. Ik hoef niet mee te doen aan de worstelwedstrijd voor het verwerven van aio´s. Misschien doe ik het nog wel, maar het is geen plicht meer. Hoogleraren worden geacht te scoren bij NWO, maar de ruif is voor een kwart gevuld en welk vee het eerst erbij mag is volkomen onvoorspelbaar.

Wat ook niet meer hoeft zijn commissies. Geen onderwijscommissie, geen evaluatiecommissies, geen programmacommissies, geen functioneringscommissies. Ik ga alleen nog naar zinvolle vergaderingen en ik zit alleen in commissies, raden en besturen die me bevallen.

Nu heb ik dus toch al heel wat voordelen van het emeritaat bij elkaar weten te sprokkelen. Waarom ben ik er dan toch zo knorrig over? Waarom leef ik er niet naar toe zoals andere mensen, en waarom kan ik niet met Agnes Jongerius mee demonstreren tegen de verhoging van de AOW-leeftijd? Waarom wil ik niet op een Gazelle-fiets met mijn verloofde door de bossen van de Veluwe rijden en waarom wil ik niet meegaan op cultuurreis naar Griekenland onder leiding van Fik Meijer? Waarom wil ik niet mijn boekenkast op gaan ruimen en al die niet meer gelezen en verouderde literatuurwetenschappelijke werken op boekwinkeltjes.nl zetten? Waarom wil ik niet de honderden studentenscripties die nog in mijn kast staan in de papiermolen gooien? Waarom wil ik niet een week pottenbakken op Ameland?

Waarom wil ik eigenlijk niets van dat emeritaat weten? Er zit me iets dwars dat ik niet helemaal te pakken krijg. Er verandert niet zoveel en toch voel ik me er niet prettig bij. Misschien kun je mijn positie het best vergelijken met die van een marionettenbespeler. Een gewone hoogleraar bespeelt heel wat poppen in zijn theater, zeker als hij een goede speler is, trekt hij aan de draadjes dat het een lust is. Dat die poppen af en toe een eigen leven leiden, hoort erbij en amuseert hem ook. De emeritushoogleraar bespeelt datzelfde theater. Maar hij treedt alleen op als de gewone hoogleraar pauze neemt.