De werkplek van de toekomst is een auto

Het echtpaar Jurgen Bey en Rianne Makkink vormt een succesvol ontwerpersduo. „Bij Jurgen stromen de ideeën onophoudelijk. Ik ben degene die zegt: nu is het af.”

In de oude verffabriek waar Studio Makkink & Bey is gevestigd is voor het kantoorgedeelte een ruimte in de ruimte gemaakt: een tent van bubbeltjesplastic die met touwtjes aan het plafond hangt, met een deur van het vederlichte blauwe schuim waar architecten hun modellen van maken. Dat tijdelijke, geïmproviseerde past wel bij een plek als deze, waar nieuwe ideeën en de daaruit voortkomende objecten doorlopend opborrelen. Maar er is ook luxe hier op het Rotterdamse industrieterrein de Spaanse Polder: centrale verwarming. Rianne Makkink (44): „Heb ik nooit eerder gehad. Ik heb altijd met kachels geleefd, op de boerderij van mijn ouders en later in de industriële panden waar je als ontwerper meestal terechtkomt, vaak anti-kraak. Wij hebben hier voor het eerst een huurcontract en dus verwarming. Maar ik vind het nog steeds een beetje raar als het overal even warm is.”

Jurgen Bey (45), die sinds 2002 samen met zijn vrouw Studio Makkink & Bey vormt, is een van de bekendste conceptuele ontwerpers van Nederland en heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de roem in binnen- en buitenland van ‘Dutch design’. Een van zijn bekendste ontwerpen is de Tree Trunk Bench, een boomstronk die hij tot zitbank transformeert door er stoelruggen in te ‘planten’. Makkelijker in het gemiddelde interieur in te passen, en een groot verkoopsucces, was zijn Light Shade Shade, een lampenkap van spiegelend kunststof met een kroonluchter van binnen die pas zichtbaar wordt als je het licht aandoet. Die dubbelzinnigheid en humor zijn kenmerkend voor hun werk: een ontwerp van Makkink & Bey is wat het is en nog iets meer dan dat. Voorwerp en idee tegelijk, waarbij de nadruk meer op het vernieuwende en het experimentele ligt dan op het praktische.

Dit zijn hoogtijdagen voor Studio Makkink & Bey. Ze zijn genomineerd voor zowel de Rotterdam Designprijs als de Great Indoors-Award die beide dit weekend worden toegekend. Gisteravond is een tentoonstelling van hun werk getiteld ‘Happy Families’ opengegaan in de Kunst KAdE, een tentoonstellingsruimte in Amersfoort die zij ook hebben ingericht.

Kunnen jullie je eigen succes bijbenen?

Hij: „Ik zie dit als een sleutelmoment. We zijn op veel verschillende manieren bij ons vak betrokken – als ontwerpers, als onderzoekers, als leerschool voor stagiaires en medewerkers. En ik geef les aan de Royal College of Art in Londen. Heel mooi, maar is er niet één activiteit die de rest commercieel draagt. We lopen op onze tenen.”

Jullie zijn een echtpaar en hebben ook samen de studio. Hoe ziet jullie samenwerking eruit?

Zij: „Bij Jurgen stromen de ideeën onophoudelijk, uit elk idee spruiten weer vijf nieuwe voort, hij stapelt ze en vermengt ze. Dat is zijn kracht, het ene idee is meteen voer voor het volgende. Ik vind het al klaar en hij wil steeds nieuwe lagen toevoegen. De fase na het idee, waarin je een concept vertaalt in een product, vindt hij vermoeiend. Ik heb meer interesse dan hij in het eindresultaat, dus ben ik degene die zegt: nu is het af, we gaan het maken. Voor mijn gevoel gaat het juist razendsnel, in vergelijking met de architectuur waar je na het definitieve ontwerp nog geen spijker mag veranderen. Bovendien was ik meer dan Jurgen gewend met begrotingen om te gaan.”

Hij: „Natuurlijk is het belangrijk dat het ontwerpen uitmondt in iets tastbaars, maar als ik eerlijk ben vind ik de visievorming en het werken met mensen in onze studio het meest dankbare. Ik zou wensen dat we alles als model konden maken, 1:50 of 1:100. Daarmee kun je aangeven waar de werkelijkheid heen moet, zonder het gevecht ermee te hoeven leveren. Ik begrijp wel dat er aan het einde van dat proces iemand aan een apparaat moet staan om dingen te maken, maar zeker niet ik. Ik ontwerp meer ideeën en oplossingen dan spullen.”

Zij: „We produceren onze ontwerpen dan ook niet zelf. Dat is echt een ander vak.”

Hoe verhouden jullie eigen ontwerpen zich tot de opdrachten voor bedrijven en culturele instellingen?

Hij: „Die liggen geheel in elkaars verlengde, wij kúnnen niet anders werken. In opdracht van Droog Design bijvoorbeeld hebben we hun nieuwe winkel in New York ingericht. Een paar jaar geleden hebben we ook het gebouw van Interpolis in Tilburg ingericht, dat zich als een van de eerste in Nederland bezighield met flexibel werken. Ik was ook een van vier ontwerpers die door Koninklijk Tichelaar Makkum werd uitgenodigd om een hedendaagse interpretatie te maken van de zeventiende-eeuwse tulpenpiramide. Dat bedrijf werkt al eeuwen met porselein en zoekt naar manieren om oude voorwerpen en technieken nieuwe betekenis te geven. Tichelaar is daarom óók voor de Designprijs genomineerd. Voor de Spoorwegen werken we nu ideeën uit om het wachten op stations te veraangenamen.”

Onderdeel van jullie inzending voor de Designprijs, en ook voor de Salon del Mobile in Milaan vorig jaar, is de Slow Car, een aandoenlijk wagentje dat als mobiele werkplek voor één persoon dient. Is dat puur een concept of is het de bedoeling die in productie te nemen?

Hij: „Het is zeker mijn doel dat de Slow Car in productie komt en binnen een paar jaar bij een hotelketen of een vliegveld staat. Hoewel het ‘car’ heet is het niet zozeer vanuit de auto gedacht, maar vanuit de bureaustoel. Het idee is ontstaan in ons vorige pand in de Nikkelstraat in Rotterdam, een enorme ruimte van 1.500 vierkante meter, maar zo groot dat je je er makkelijk verloren voelde als je geconcentreerd zat te werken. Ik heb daar een eigen plek voor mezelf gemaakt door een stoel op een pallet te zetten en een houten kist als bureau te gebruiken. De Slow Car is ook zo’n plek waar je je beter kunt focussen door de ruimte om je heen uit te sluiten.

„Ik ben momenteel meer geïnteresseerd in de professionele omgeving dan in het privégebied. Ik zie de werkomgeving als een levend landschap. We zijn allemaal op uiteenlopende uren van de dag, op verschillende plekken, met verschillende mensen aan het werk. Kantoren en industriële gebouwen staan in asfaltzeeën die door de auto worden bepaald. Als we de auto eruit verbannen dan wordt de straat een begane grond van al die gebouwen, en krijgen we de drempelloze stad. De Slow Car brengt je rustig en geconcentreerd van de ene werkplek naar de andere.

„Onze inzending voor de Designprijs, het Prooff Lab – ‘Prooff’ is een afkorting van Progressive Office – is ook een onderzoek samen met fabrikant SV naar experimenteel kantoormeubilair van de toekomst.”

Veel Nederlandse ontwerpers grijpen nu terug op ambachtelijke technieken en materialen. Ook in jullie werk komen die voor: het porselein van Makkum, het vilt dat jullie gebruiken in een serie meubels voor de galerie van Pierre Bergé, de partner van Yves Saint Laurent.

Hij: „Ik begrijp de behoefte aan aandacht, rust, detail die daaruit spreekt. Maar ik geloof uiteindelijk in de industrie. Daar gaan de spannende dingen gebeuren op het gebied van duurzaamheid en de omgang met de stad. De grote problemen van de wereld zullen op industriële schaal worden opgelost.”

Hoe past de boerderij die jullie in 2005 in de Noordoostpolder kochten in het werk van de studio?

Zij: „Het leven in de Noordoostpolder maakt deel uit van ons onderzoek. Met de schaalvergroting in de landbouw trekken de kleine boeren daar nu snel weg en komen de woonhuizen leeg te staan. In dit strak geordende landschap zijn de huizen allemaal op kavels van één hectare gezet met een windsingel eromheen. We wonen daar in de weekends. We hebben een ‘designers in residence’-programma opgezet voor mensen die daar onderzoek naar de polder willen doen. De eersten waren Lonny van Rijswijck en Nadine Snel van Atelier NL en Maarten Kolk, die voor hun project ‘Veldwerk’ onderzoek deden naar de bodem en naar de vegetatie. Ook dat project is nu genomineerd voor de Designprijs.”