Alleen een politiek akkoord kan 'Kopenhagen' redden

Tot de 20ste eeuw was de mensheid kind van de natuur. Nu de mens zelfs de ijzige Noordoostpassage goed kan doorvaren, is hij pas echt volwassen, aldus de Deense auteur Jens Christian Grøndahl. En dus rijst de vraag: kiest de mens straks in Kopenhagen voor vadermoord of voor ouderenzorg? Volgens voormalig IPCC-lid Bert Metz moet de mens in elk geval zorgen voor een deugdelijk politiek akkoord.

Fellow bij The European Climate Foundation, een stichting die zich richt op het bestrijden van het klimaatprobleem. Metz was van 1997 tot 2008 bij het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) co-voorzitter van de werkgroep die zich bezighield met maatregelen om klimaat-verandering tegen te gaan.

Ongecontroleerde klimaatverandering levert enorme risico’s op voor mens, maatschappij en natuur. Voedselgebrek, waterschaarste, o

verstromingen, droogte, meters zeespiegelstijging die leiden tot het verdwijnen van laag gelegen eilanden en kuststreken, uitsterven van grote aantallen planten en dieren – om een paar gevolgen te noemen. Beperken van de wereldwijde temperatuurstijging tot minder dan 2 graden boven die van 150 jaar geleden (of 1,2 graad meer dan nu) kan die risico’s tot hanteerbare proporties terugbrengen. Helemaal voorkomen kan al niet meer.

Om dat te bereiken moet de mondiale uitstoot van broeikasgassen fors omlaag: tot minder dan de helft van het niveau van 1990. Bovendien moet die daling niet later dan in 2020 beginnen. Het kost namelijk tijd om een economie om te bouwen naar een met lage CO2- uitstoot. Als we niet snel genoeg beginnen, komen er te veel broeikasgassen in de atmosfeer en die verdwijnen maar heel langzaam.

Omdat arme landen het recht hebben ook een menswaardig bestaan voor hun inwoners op te bouwen, moeten zij ruimte krijgen hun energieverbruik (en hun CO2- uitstoot) te laten stijgen. Het betekent dat rijke landen veel meer dan het gemiddelde omlaag moeten: in 2050 80-95 procent onder het niveau van 1990, in 2020 tussen de 25 en 40 procent. Het aandeel van ontwikkelingslanden: in 2020 15 tot 30 procent onder het niveau dat ze zonder maatregelen zouden bereiken. Zij kunnen de fouten van de rijke landen deels vermijden.

Samen moeten landen in 2020 zo’n 17 gigaton (= 17.000 miljoen ton) uitstoot vermijden. Technisch en economisch kan dat. Zo’n 70 procent daarvan zal fysiek in ontwikkelingslanden moeten plaatsvinden, want in rijke landen is het potentieel de eerste 10 jaar beperkt. Een flink deel van die reducties kan worden gerealiseerd door de ontbossing te verminderen en duurzamer landbouw te bedrijven, naast energiebesparing en schone energie. Ontwikkelingslanden kunnen een deel zelf betalen, bijvoorbeeld via energiebesparing die geld oplevert. Maar veel maatregelen zijn duurder dan wat ontwikkelingslanden gewend zijn. Als rijke landen de additionele kosten compenseren, kost dat de komende 10 jaar gemiddeld zo’n 50-80 miljard euro per jaar. Tel daarbij op de compensatie voor aanpassingsmaatregelen omdat het klimaat nu al veranderd is. Totale rekening: 60-100 miljard euro per jaar.

Vergoeding van additionele kosten en geld verdienen met energiebesparing maakt investeren in schone technologie in ontwikkelingslanden aantrekkelijk. Dat kan dus leiden tot een transitie naar een moderne, schone economie. Die landen willen ook een serieuze rol spelen bij de ontwikkeling van nieuwe technologie. Met hen is veel meer samenwerking nodig.

Wat kan Kopenhagen opleveren?

De toezeggingen van rijke landen wat betreft reductie van hun uitstoot en financiering voor ontwikkelingslanden schieten ernstig tekort. Economische crisis, begrotingstekorten, gebrek aan vertrouwen dat ontwikkelingslanden hun aandeel willen leveren, en het feit dat de VS de schade van 15 jaar nietsdoen moeten zien in te halen, zijn de belangrijkste oorzaken.

Ontwikkelingslanden stellen zich hard op: ze zijn alleen bereid iets te doen als de rijke landen zelf fors de CO2-uitstoot reduceren, en er voldoende geld op tafel komt. Ze zijn wantrouwig geworden door het niet nakomen van beloften van rijke landen in het verleden. Tel daarbij op een ingewikkeld onderhandelingsproces, waarin op veel punten geen spoor van overeenstemming bestaat en alle ingrediënten voor het mislukken van Kopenhagen zijn aanwezig. Duidelijk is dat een compleet verdrag niet gaat lukken.

Toch kan Kopenhagen een succes worden. Voorzitter Denemarken mikt op een politiek akkoord en het uitwerken daarvan in een juridisch bindend verdrag in de loop van volgend jaar. De politieke wil is er: meer dan zestig staatshoofden en regeringsleiders komen naar de Deense hoofdstad. Steeds meer landen komen met toezeggingen voor serieuze reducties, ook Brazilië, India, Mexico, Korea, en Indonesië. Het besef begint door te dringen dat een economie die veel CO2 uitstoot, geen basis voor welvaart is: de kosten van de gevolgen van klimaatverandering zullen gigantisch zijn. Een politiek akkoord is nodig om impasses in de onderhandelingen te doorbreken. In zo’n politiek akkoord moet het volgende worden geregeld:

Een richtinggevende doelstelling voor de lange termijn. Er is inmiddels grote steun om de doelstelling de opwarming tot maximaal 2 graden Celsius te beperken, als uitgangspunt te nemen.

Transitie naar een economie met lage uitstoot: beloftes om concrete plannen daarvoor te maken, moeten haalbaar zijn.

Reductie van CO2-uitstoot door ontwikkelde landen. Als alle toezeggingen van de rijke landen voor 2020 – ook de voorwaardelijke – worden vastgelegd, komt dat neer op zo’n 18 procent beneden het niveau van 1990. Niet genoeg, maar wel een flinke stap. Voor 2050 is een afspraak van minstens 80 procent reductie ten opzichte van 1990 gezamenlijk haalbaar.

Reductiemaatregelen voor ontwikkelingslanden. Grote ontwikkelingslanden, zoals China, India en Brazilië, moeten vastleggen wat zij bereid zijn in hun eigen land te doen.

Concrete toezeggingen van rijke landen voor een Fast Start Fund van zo’n 10 miljard dollar per jaar voor 2010-2012, te besteden aan planning en uitvoering van reductiemaatregelen, bosbescherming en aanpassing in ontwikkelingslanden.

Uitzicht op vijf tot tien maal hogere bedragen voor reductiemaatregelen voor 2015-2020.

Een internationale heffing op lucht- en scheepvaartbrandstof ten behoeve van ontwikkelingslanden.

Er moeten principeafspraken komen over beheer en verdeling van het geld.

Technologie: concrete toezeggingen voor samenwerking tussen rijke en arme landen op het gebied van technologieontwikkeling en financiering van onderzoek- en innovatiecentra in ontwikkelingslanden.

Rapportage en controle: een principeafspraak over hoe dat moet worden geregeld.

Instellingen: een overzichtelijk en efficiënt systeem van bestaande en nieuwe organen om een transitie naar een koolstofarme economie te bevorderen, landen te helpen met klimaatbeleid, fondsen te beheren, enzovoort.

Zo’n politiek akkoord is niet alleen de moeite waard, het is de enige manier om de impasse te doorbreken en binnen afzienbare tijd een effectief verdrag te realiseren.