Zo simpel

De situatie begon penibel te worden. We werden ’s nachts ruw uit onze slaap gehaald, elke nacht weer wat vroeger, en ook daarna bleef het nog lang hommeles. Met rode oogjes keken we elkaar de volgende ochtend aan: dit kon zo niet langer, wat te doen?

Nee, het was geen barbaarse buurman die tot in de vroege uurtjes liederlijke feesten vierde, het was ook geen naburig café dat zich slecht aan de sluitingstijden hield – het was maar een kat, nog wel onze eigen kat, officieel genaamd Anne Vondeling.

Je zou mogen verwachten dat katten die ooit ergens te vondeling zijn gelegd, hun weldoeners eeuwig dankbaar blijven. Ook zij mogen heus wel eens een potje mokken en miauwen, want daar zijn ze kat voor, maar het gaat niet aan dat ze om drie uur ’s nachts krijsend naast je bed komen staan met de mededeling: „Ik verrek van de honger, komt er nog wat van?”

Dan doe je toch de deur van je slaapkamer dicht, zal een argeloze lezer misschien opperen.

Wil die lezer het een nachtje komen proberen? Kost en inwoning zijn vrij, althans voor dat nachtje. Hij of zij krijgt een schone pyjama, wij sluiten de deur van de slaapkamer en verwijderen ons discreet.

De lezer valt in een diepe slaap totdat hij midden in de nacht wakker wordt van een eigenaardig geluid. Hij rilt. Het lijken wel nagels over hout. Is het een inbreker die allang niet meer naar de manicure is geweest? Het krabben houdt op. De lezer hoort nu een gedempt bonzend geluid, steeds opnieuw, alsof een zacht voorwerp tegen de deur wordt gegooid.

Weer is het even stil. Dan volgen twee gecombineerde geluiden: het krabben én het bonzen. Af en toe wordt er een klaaglijk krijsje aan toegevoegd.

Zelfs deze argeloze lezer weet nu genoeg.

We hebben Anne uiteraard pittig toegesproken. Gedreigd met zware sancties, tot uitzetting aan toe. Ze luisterde onverschillig, liep langs ons heen en ging verzadigd en verzaligd onder hetzelfde bed slapen waar ze ons zojuist uit had verdreven. Of we haar verder tot lunchtijd maar met rust wilden laten, ja? En doe die deur dicht, het tocht.

Na een paar weken meldden we ons uitgeput bij de dierenarts, een man met het geduld van een gezinstherapeut – wat ook wel nodig is als je cliëntenbestand voor een belangrijk deel uit kattenbezitters bestaat. Toen we uitgeklaagd waren, had hij terstond een praktische suggestie paraat: de voederautomaat, kenden we die? Het was een van een tijdklok voorzien bakje met ruimte voor een of meer maaltijden. Op het ingestelde tijdstip flapt het deksel open en kan de kat toehappen.

Het was zo simpel als wat.

Kat in ’t bakkie.

Volgens de dierenarts zou de kat niet langer óns als voedselverstrekker zien, maar dat bakje. Wij hadden voortaan de aandacht van ons afgeleid en konden rustig doorslapen.

Met bonzend hart volgden wij zijn raad op. Om consequent te zijn, gebruikten wij de voederautomaat ook overdag. Anne keek er vreemd van op. Wat hadden die stakkers nou weer bedacht? Enfin, als de maag maar gevuld werd.

Een weekje aarzelde ze tussen ons en de automaat, maar inmiddels is ze eraan gewend. Ze draalt nu nerveus rond de automaat, in afwachting van de magische klik die verlossing biedt.

Enkele meters verderop klinkt ons gesnurk. Het leven kan zo goed zijn.