Wensdenken met de Heer

Met haar ‘pleidooi voor God’ wil Karen Armstrong de scherpe kantjes van het godsdienstdebat afhalen. Is dat wel mogelijk, met zo’n particulier uitgangspunt?

Karen Armstrong: The Case for God. What Religion Really Means.The Bodley Head, 376 blz. € 27,-

Karen Armstrong: De kwestie God. De Toekomst van Religie. De Bezige Bij, 510 blz. € 27.50

‘Religion is poetry plus, not science minus’ – het citaat is van de Zweeds-Amerikaanse theoloog Krister Stendahl, maar het had ook het motto kunnen zijn van Karen Armstrongs nieuwe boek. De kern van haar Pleidooi voor God (niet De kwestie God) is dat de werkelijke betekenis van religie niet ligt in een pretentie de werking van de kosmos te verklaren, maar in een poging woorden te vinden voor de verwondering en de ontzetting van de mens die zich verloren voelt in een ontzagwekkende en ondoorgrondelijke wereld. God is in haar ogen eerder een poëtisch ‘teken’ van de menselijke conditie dan de transcendente bovenmeester die de dogmatische theologie van hem gemaakt heeft. De taal van de grote religieuze geschriften van alle beschavingen heeft meer gemeen met de dichtkunst dan met de wetenschap.

De ondertitel van het boek – What religion really means (in de Nederlandse uitgave verkeerd vertaald als De toekomst van religie) – geeft Armstrongs inzet goed aan. Wat religie ‘echt betekent’, blijkt een normatief ideaal te zijn, het oprechte geloof van een mens die na een langdurige en smartelijke zoektocht ‘tot God’ is gekomen. Het boek draagt de sporen van de levensloop van de schrijfster, die zeven jaar in een katholieke kloosterorde doorbracht, vervolgens uittrad, zich niet van alle religie afkeerde, maar erin slaagde een eigen, oecumenische vorm van geloof te ontwerpen, of te ‘vinden’ zoals ze het zelf zou uitdrukken.

De talrijke boeken die zij sinds haar uittreding schreef, maken deel uit van haar queeste naar een echt geloof. Wie zich werkelijk aan God committeert, aldus Armstrong, vindt in de religie de troost voor het lijden, de liefde voor de medemens en een gevoel van ontzag en verwondering tegenover de grootsheid van de kosmos waarvan ieder mens een nietig, maar ‘geheiligd’ onderdeel is. Zij oordeelt daarentegen negatief over wettische en dogmatische vormen van geloof. Echt geloof is volgens haar niet ‘leven naar de letter’, maar het zich eigen maken van een theologische en ethische zelfdiscipline. Alleen wie dat kan opbrengen, laat zich echt in met God.

De autobiografische impuls achter dit boek blijkt ook uit de keuze van de stof. Het lijkt soms over God en godsdienst in het algemeen te gaan, maar het leeuwendeel van het historische materiaal is afkomstig uit het christendom. De andere wereldreligies komen hier en daar ter sprake, maar de diepgravende en interessante bespreking van wat het betekent te geloven, wordt bijna helemaal opgehangen aan christelijke voorbeelden.

Dubbele lading

Daar ligt ook het voornaamste probleem met dit boek. Armstrong heeft haar betoog niet autobiografisch, maar historisch opgebouwd. Dat geeft het een dubbele lading. Het religieuze ideaal van de auteur doet tevens dienst als de essentie van wat religie historisch is. Armstrong is zich goed bewust van de aanwezigheid van intolerantie, geloofsdwang en heilige oorlogen in de geschiedenis van de meeste godsdiensten, maar ze typeert die als ontsporingen en afwijkingen die niet tot de kern van het verschijnsel religie behoren. Haar bespreking van het islamitische begrip jihad laat dat goed zien. Volgens haar betekent jihad niet ‘heilige oorlog’, maar ‘inspanning’ of ‘strijd’. Sayyid Qutb, een van de grondleggers van het moderne fundamentalisme, die jihad interpreteert als gewapende strijd en een centrale plaats in de islam geeft, vertekent volgens haar het geloof dat hij voorgeeft te verdedigen.

Wat Armstrong hier doet, is één mogelijke interpretatie van de Koran als juist te typeren en een andere als een vertekening. Maar op grond waarvan? Volgens de recente Dictionnaire du Coran komt het begrip jihad op 41 plaatsen in de Koran voor. Enkele passages spreken van een vreedzame strijd voor het ware geloof, maar andere gewagen wel van gewapende strijd. Armstrong staat uiteraard in haar recht als zij de sympathieke exegese prefereert, maar daarmee kiest zij tevens positie in de strijd om de ‘juiste’ interpretatie van de Koran. Wat zij niet duidelijk maakt, is waarom haar lezing de goede is. Alle grote religieuze teksten bevatten universele denkbeelden over de menselijke waardigheid, maar ze maken ook onderscheid tussen mensen die het ware geloof volgen en anderen die in de dwaling en de zonde volharden.

De godsdienstkritiek van militante atheïsten als Richard Dawkins en Christopher Hitchens is volgens Armstrong oppervlakkig omdat zij de religie reduceren tot een alternatieve natuurwetenschap die gemakkelijk kan worden afgeserveerd als onzinnig en verouderd. Darwin liet zien dat het leven en de mens hun ontstaan niet danken aan een vorm van intelligent design, maar aan de blinde werking van genetische mutaties en natuurlijke selectie.

Armstrongs reactie op Darwin sluit aan bij Stephen Jay Goulds visie dat wetenschap en religie over verschillende werelden spreken. De godsdiensten zoeken antwoorden op vragen naar de zin van het bestaan en de ultieme grondslagen van goed en kwaad, vragen waar de wetenschap niets over te zeggen heeft. Wie op zoek is naar de diepere zin van het bestaan, kan beter terecht bij de bijbel, de koran of Confucius dan bij Darwin. In de ogen van Armstrong zijn de militante atheïsten ‘religieuze analfabeten’ die iets veroordelen wat ze niet begrijpen. De nieuwe atheïsten geven volgens Armstrong een kwaadwillige vertekening van wat religie is. In hun ogen is het geloof de bron van alle ellende in de wereld; sommigen van hen beschouwen de vrijheid van godsdienst als een betreurenswaardige concessie aan de vijand.

Twee druppels water

Armstrong maakt terecht bezwaar tegen de intolerantie van dat soort militante atheïsten. Hun mentaliteit lijkt volgens haar als twee druppels water op het religieuze fundamentalisme. Absolute zekerheden produceren in beide gevallen absolute vijandbeelden. Ze herinnert ons eraan dat het fundamentalisme een typisch moderne vorm van geloof vertegenwoordigt, die in de eerste helft van de 20ste eeuw ontstond in het Amerikaanse protestantisme en in de Egyptische islam. Het kwam van de grond als reactie op de opmars van de wetenschap en de verwerping van de traditionele moraal, trends die toen een groter publiek bereikten. In het islamitische geval was de vernedering door het ‘verlichte’ koloniale bestuur waarschijnlijk de belangrijkste voedingsbron. Het fundamentalisme is echter slechts één van de vele moderne godsdienstige stromingen. Volgens Armstrong is het onzinnig om te doen alsof iedere gelovige een verscheurende fundamentalistische wolf in aaibare medemenselijke schaapskleren zou zijn.

Tot zover is haar kritiek op het nieuwe atheïsme wel overtuigend. Maar haar diagnose van de atheïstische godsdienstkritiek schiet tekort. Het probleem is dat de atheïstische visie het spiegelbeeld is van haar eigen kijk op de religie. Volgens Armstrong is een transcendent humanisme het wezen van de godsdienst. Dat is ‘what religion really means’. De nieuwe atheïsten weten eveneens zeker ‘what religion really means’: een fundamentalistisch obscurantisme het wezen van de religie.

Beide interpretaties overtuigen niet, omdat ze voorbijgaan aan de heterogeniteit van de religie als historische realiteit. Het is een onmogelijke opgave de bijbel of de koran te reduceren tot een eenduidige ‘harde kern’. Nog veel minder lukt dat met het christendom of de islam met hun lange en bewogen historie. Door de eeuwen heen hebben alle religies zichzelf steeds opnieuw moeten uitvinden. Karen Armstrong heeft daar zeker oog voor, maar wat ze niet ziet, of niet wil zien, is dat de religieuze geschiedenis van de mensheid niet te rijmen valt met haar persoonlijke zekerheid over wat religie ‘echt betekent.’