Wees marionet én poppenspeler

Het staat haaks op deze tijd: gebrek aan stelligheid. Gelukkig geeft Zadie Smith daar in zeer uiteenlopende essays blijk van.

Zadie Smith: Changing My Mind. Occasional Essays. Hamish Hamilton, 308 blz. Prijs: 16,60. De vertaling verschijnt in januari 2010 bij Prometheus.

De titel van Zadie Smiths eerste essaybundel is een statement: hier is een schrijfster die voor haar twijfels en ambivalenties durft uit komen, die onbekommerd tegenstrijdigheden toelaat en zich durft onder te dompelen in wat haar tegenstaat. In het korte voorwoord bij Changing My Mind stelt ze dat ze haar eigen veranderlijkheid tot uitgangspunt heeft gemaakt: ‘ideologische inconsistentie, schrijft ze, is voor haar min of meer een geloofsartikel. Een van haar literaire helden, E.M. Forster, wiens state-of-England-roman Howards End ze als blauwdruk gebruikte voor haar eigen roman On Beauty, prijst ze wegens zijn gebrek aan stelligheid, wat iets anders is dan gebrek aan overtuiging.

Over haar nieuwe boek doet ze achteloos: ‘dit boek werd geschreven buiten mijn weten om.’ Ze wilde een roman schrijven, toen een boek over de roman; terwijl die boeken niet van de grond kwamen, nam ze journalistieke opdrachten aan: ‘op die manier stapelden honderdduizend woorden zich op.’ De ondertitel, Occasional Essays, wordt eveneens gekenmerkt door forsteriaanse bescheidenheid.

Het is waar dat Changing My Mind een losse verzameling is, er staan stukken over Kafka in en over de Oscaruitreiking, jeugdherinneringen en filmrecensies, doorwrochte essays en snelle stukjes, en toch is het geen lukraak boek. Dat komt doordat die verscheidenheid past bij Smiths manier van kijken; ze is in staat overal betekenis te ontdekken, of het nu in het hyperintellectuele proza van David Foster Wallace is of in de populaire films van Katharine Hepburn. In haar essays laveert ze schijnbaar achteloos tussen precieze, intellectuele analyses en gezellige observaties, tussen literatuurtheorie en fan talk. Daar is, en dat mag een wonder heten, niets opzichtigs aan; er wordt niets programmatisch beweerd over hoge en lage cultuur, er wordt niet gemakzuchtig stelling genomen tegen de massacultuur en ook niet geageerd tegen moeilijkdoenerij van de ‘elite’. Het stuk over haar vader, die deelnam aan de landing in Normandië op D-Day, is ontroerend, maar niet zo ontroerend als de 50 bladzijden lange analyse van de verhalenbundel Brief Interviews with Hideous Men van David Foster Wallace. Dat essay is complex zonder duister te worden, liefdevol in zijn intellectuele toewijding.

Als Smith zich tegen iets teweerstelt, is het eenduidigheid. In het essay ‘Speaking in Tongues’ neemt ze haar eigen aangeleerde universiteits-Engels als uitgangspunt, van daaruit komt ze op het toneelstuk Pygmalion van George Bernard Shaw (over de volkse Eliza Doolittle die door professor Higgins tot een dame wordt gekneed), en na een overpeinzing over de verbazingwekkende meerstemmigheid van Shakespeare komt ze uit op een verdediging van wat veel mensen bij Barack Obama nu juist zo verdacht vinden: zijn vermogen om met verschillende stemmen te spreken, zijn achteloze beheersing van verschillende registers, van volks tot intellectueel, van ‘zwart’ tot ‘blank’ (de titel van dit essay klinkt mooi, maar lijkt me recht tegen de inhoud ingaan: het spreken in tongen is óók de hoogstpersoonlijke religieuze brabbeltaal van evangelische christenen die in direct contact staan met de Heer; niemand kan hen verstaan en dat is iets anders dan de door Smith bezongen meerstemmigheid).

Zo’n betoog had gemakkelijk kunnen uitmonden in de zoveelste nietszeggende lofzang op diversiteit, maar bij Smith haakt het in op een groter thema, dat in de meeste essays opduikt: de noodzaak van verbondenheid. ‘Only connect…’ was het motto dat E.M. Forster aan Howards End meegaf en de echo ervan resoneert in Smiths essays. In een ervan plaatst ze Roland Barthes tegenover Nabokov – de eerste stelde dat het de lezer is die een tekst maakt, de auteur doet er in laatste instantie niet meer toe, terwijl de tweede zijn lezers juist als marionetten lijkt te beschouwen. Het is typerend voor Smith dat ze geen partij kiest; ze houdt hartstochtelijk veel van zowel Barthes als Nabokov, zonder dat ze blind is voor hun beperkingen; in haar essay zoekt ze naar manieren om die twee visies met elkaar te verenigen. In haar hommage aan Katharine Hepburn schrijft ze dat een achteloos zinnetje van de actrice in The Philadelphia Story door haar hoofd gaat telkens wanneer ze begint te schrijven: ‘The time to make your mind up about people is never!’

In het essay over David Foster Wallace laat ze zien dat deze schrijver vaak beschuldigd is van wat hij nu juist niet wilde zijn: zijn proza is niet het product van een cerebrale auteur die terugschrok voor de emotionele banden die fictie tot stand brengt, het is juist doortrokken van de angst dat die emotie uitblijft, de angst voor de geest die in zichzelf opgesloten raakt en verward raakt in een nietszeggende woordenbrij. Isolement door middel van taal is Smiths angstbeeld: de mens die zich verschanst in retoriek over eigenheid, zich verliest in de clichés van de consumptiemaatschappij of in de eenduidigheid van het snelle oordeel. Taal is datgene wat mensen in staat stelt om met elkaar in contact te komen, maar veel vaker verhindert taal toenadering, houdt taal de geest gevangen.

Zadie Smith zou Zadie Smith niet zijn wanneer ze geen oog had voor de haken en ogen van juist die verlichte notie. In een erg mooi persoonlijk stuk over de roman Their Eyes Were Watching God (1937) van de vooral door Amerikaanse zwarten gevierde Amerikaanse schrijfster Zora Neale Hurston, beschrijft ze de afkeer die ze aanvankelijk voelde tegen de roman, juist omdat van haar – Smith heeft een zwarte moeder – onmiddellijke en complete vereenzelviging werd verwacht. Literatuur had voor haar niets met kleur te maken, was universeel, enzovoort. Maar toen ze de roman uiteindelijk las, herkende ze wel iets wat met haar kleur te maken had, wat ze soulfulness noemt. Dat is een begrip waar ze vervolgens alleen maar omheen kan lopen, maar dat neemt niet weg dat er sprake was van een diep soort herkenning die wel degelijk met ras te maken heeft. Die herkenning sluit de universele waarde van literatuur geenszins uit, het verhindert je alleen er al te rigide uitspraken over te doen.

In het essay over Obama spreekt Smith de hoop uit dat de president zo flexibel blijft dat hij met een stem ‘Ik hou van mijn land’ kan zeggen, en met een andere ‘Het is gewoon een land als andere landen’. Changing My Mind laat zien dat die twee stemmen niet tegenstrijdig zijn, maar juist het bewijs van ‘een juiste, fatsoenlijke menselijke harmonie’.