'Wat doen we in godsnaam nog in Djakarta?'

Tash Aw: Kaart van een onzichtbare wereld. Vertaald door Ton Heuvelmans. Mouria, 399 blz. € 22,50

‘Jouw probleem is dat je je eigen geest niet kent. Je hebt nooit nagedacht over wat be- langrijk is voor jóú. Helemaal leeg hier. Ze tikte op haar slaap’. Een leeg hoofd, een holle ruimte waar zich een besef van heden, verleden en toekomst zou moeten ophouden, kennis van afkomst en gedachten over identiteit – het lijkt of veel personages van Tash Aw hieraan lijden.

Aw, zoon van Maleisische ouders, werd in 1971 geboren in Taipei, groeide op in Kuala Lumpur en studeerde in Londen. Naast zijn studie rechten volgde hij lessen creative writing. In 2006 debuteerde hij met De zijdehandelaar, dat werd bejubeld, en werd bekroond met de Commonwealth Writers’ Prize for the best first novel en de Whitbread First Novel Award.

Hoofdpersoon van Kaart van een onzichtbare wereld is Johan, een jongeman uit de rijke milieus van Djakarta, die een toekomst voorziet van ‘alleen maar jaren vol leegheid’.

Speelde Aws debuutroman zich af in het Maleisië van 1940, deze tweede roman situeert hij in het Indonesië van de roerige jaren zestig. President Soekarno bevindt zich in een lastig parket tussen het leger en de communistische partij (PKI), een situatie die zou uitlopen op de Kudeta, een mislukte staatsgreep waarbij een aantal generaals werd vermoord door aanhangers van de PKI, die daarna zelf onder vuur kwam.

In die ontvlambare jaren laat Aw zijn roman spelen, in een land waar ‘een burgeroorlog aan zit te komen’, waar ‘overal communisten worden gearresteerd en vermoord’, waar Soekarno ‘met dat konfrontasiegedoe’ de Amerikanen tergt, ‘de hele wereld wil confronteren en vooral Maleisië’. Nederlanders worden steeds vaker weinig zachtzinnig het land uitgezet.

Een ideale crisisachtergrond, kortom, voor een schrijver die, net als in zijn debuut, zijn personages, twee broers – beiden wees en door verschillende families geadopteerd – op een harde, persoonlijke zoektocht wil sturen – al ligt de queeste er (te) dik bovenop. De jongste, Adam, verlaat zijn vredige eiland als zijn adoptief vader, de Nederlandse kunstenaar Karl de Willigen, door soldaten wordt afgevoerd. Zoals in een initiatie laat de zoektocht naar zijn vader hem kennismaken met alle lagen van de bevolking en vele politieke gezindten. De oudste, Johan, geadopteerd door een rijk maar ontwricht gezin, dreigt te ontsporen in het nachtleven. Gekweld door vage herinneringen aan zijn broer, bedolven onder schuldgevoelens raakt hij langzaam op drift.

Ook de universitair docente Margaret Bates is van haar ankers geslagen. Geboren op Buru, ‘een steenworp van Nieuw-Guinea, het laatste eiland van de wereld’, meent zij dat ze ‘goed is in het achterhalen van wat er schuilgaat achter die ondoorgrondelijke Aziatische maskers’. Maar Djakarta blijkt veranderd, haar vriendennetwerk verouderd en haar verstandhouding met Soekarno bekoeld. Het vermogen tot aanpassing en verandering dat altijd zo hoog in haar vaandel stond, blijkt versleten. ‘Wat doen we hier in godsnaam nog? Het is te deprimerend voor woorden’.

Alleen de radicaliserende student Din weet precies wat hem voor ogen staat. Ooit wilde hij de geschiedenis van de zuidoostelijke Indonesische eilanden schrijven. Juist een niet-westerse stem moest die geschiedenis vertellen, maar een onderzoekssubsidie bleef uit en het project bleef in zijn hoofd spoken. Verbitterd zoekt hij nu zijn heil in protest en geweld.

Hoewel Aw al te hard hamert op het aambeeld van ‘zoek jezelf en de ander’, weet hij een pakkend beeld te schetsen van een ook voor Nederland relevante historische periode waar maar weinig over bekend is. Zijn personages zijn als losgeslagen eilandjes op een schuivend continent dat worstelt met zijn recente koloniale verleden. De kaart van die wereld is dankzij Aw een beetje minder onzichtbaar geworden.