Van Versace en Givenchy naar Maya's en Bijbel

Isabel Hoving: Het verbond van de Bliksems, Deel 1. Querido, 379 blz. € 16,95

Zelden is een debuut zo geprezen als de vuistdikke fantasyroman De gevleugelde kat (2002) van Isabel Hoving. Critici noemden de queeste van Jasje Tak die in een droomwereld verstrikt raakt ‘sensationeel’, ‘beter dan Harry Potter’ en vergelijkbaar met Tonke Dragts beste werk. Herdrukken verschenen, vertaalrechten werden verkocht aan het buitenland en in 2003 ontving Hoving de Gouden Zoen voor het beste jongerenboek. Reikhalzend werd uitgekeken naar een opvolger. Nu, zeven jaar later is die er eindelijk: Het boek van het Vuur, deel een van Het verbond van de Bliksems.

De titel verraadt al dat Hoving zich opnieuw aan het fantasygenre heeft gewaagd. Maar hoe lovenswaardig Hovings op de evolutie en actuele milieuproblematiek geïnspireerde onderneming ook is – wie in Nederland durft fantasy te schrijven over de essentie van de kosmos? –, dit keer blijf je ontgoocheld achter. Misschien komt het door Hovings achtergrond – ze is literatuurwetenschapper aan de Leidse universiteit en gespecialiseerd in interculturele studies – maar haar nieuweling is te complex. Je struikelt doorlopend over filosofische, moralistische bespiegelingen en symboliek uit andere culturen.

Na de raadselachtige proloog van ‘het Alziend Oog’ (internet) volgt aanvankelijk een alleszins tot de verbeelding sprekend begin. We maken kennis met het fantasierijke pleegmeisje Wik Kasterman, geboren in Latijns-Amerika maar nu Amsterdamse, dat Hoving beeldend omschrijft als ‘een bezemsteel met plukjes bovenop’. Nadat Wiks krengerige zus haar voor ‘slome dromer’ uitmaakt, besluit ze haar fantasiewereld vaarwel te zeggen.

Niet langer geeft ze toe aan bijgeloof. Niet langer speelt ze haar kinderspel waarmee ze bliksem en donder kon oproepen. Ze bewijst het ‘echte leven’ te aanvaarden en ontwerpt ‘de methode-Kasterman’: mensen in (levens)nood krijgen tegen betaling advies, gebaseerd op logica en intuïtie. Via haar site leert Wik de mysterieuze V. kennen, die waarschuwt voor ‘de Schok’, een naderende oorlog, waarna ze gaandeweg ontdekt – en dat doet Hoving goed – dat ze bovennatuurlijke gaven heeft en als lid van ‘het verbond van de Bliksems’ voorbestemd is voor grote daden.

Helaas verdwijnt Wik vervolgens, worstelend met zichzelf en herkenbaar eigentijds, bijna helemaal uit beeld. Hoving verschuift het perspectief naar Zuid-Amerika en introduceert een onbekende ‘schemerwereld van waarheid en werkelijkheid’, waar in donkere bossen oeroude wezens strijden over de vraag of de naderende ‘Schok’ ( de 11de vernietigende klimatologische catastrofe) koud of heet moet worden. Verwijzen deze vijfhonderd miljoen jaar oude, zogenaamde negen ‘Schokkers’ naar de heersers van de Maya-onderwereld, of zijn het goddelijke scheppers? Verwijst Dem Azel alias Vukub Cakix alias de Vuurschokker naar het in de Hebreeuwse Bijbel gebruikte Azazel, of de misleidende zonnekoning der Maya’s? Wie of wat zijn ‘de snorders’ en ‘weggegooide kinderen’? En waarom heten twee van de door de Vuurschokker gecreëerde ‘Bliksems’ Versace en Givenchy?

Behalve dat Hoving onvoldoende houvast biedt, waardoor het verhaal vaart en spontaniteit ontbeert, is ze niet in staat een coherente fantasiewereld te construeren. Concrete verwijzingen naar bijvoorbeeld de VN en Greenpeace en populair taalgebruik van de mythologische Schokkers staan te dicht bij onze werkelijkheid en maken Hovings fantasiewereld ongeloofwaardig. Storend ook is de suggestie dat de evolutie een doel heeft (namelijk chaos) en mislukt als niet wordt ingegrepen. Is een veranderingsproces niet altijd oneindig en de ontwikkeling van het leven op aarde een doelloos gegeven? Met dit boek bewijst Hoving vooral hoe razend moeilijk het is een literaire fantasy te schrijven. Zelfs voor een schrijftalent.