Twitteren tot je een ons weegt

Web 2.0 gaat volgens velen de kloof tussen burger en politiek dichten.

Maar wat in Amerika werkt, hoeft hier niet dezelfde resultaten op te leveren.

Web 2.0 speelde een belangrijke rol in de campagne van Barack Obama: hij had een eigen sociaal netwerk waarop zijn aanhangers onderling contact konden leggen en elkaars campagneactiviteiten konden bijhouden, hij had een eigen YouTube-kanaal, gebruikte Twitter en had als eerste politicus een heuse iPhone-applicatie. Obama behaalde een enorme overwinning, bracht het grootste campagnebudget ooit bijeen en enthousiasmeerde miljoenen vrijwilligers.

In Nederland is de campagne van Obama niet onopgemerkt gebleven: deze wordt sindsdien regelmatig opgevoerd als hét aansprekende voorbeeld van een moderne politieke campagne. Obama zou dankzij web 2.0 gewonnen hebben en daarom zouden ook andere politici web 2.0 moeten omarmen. ICT-consultants kwamen bij de Europese verkiezingen bijvoorbeeld tot de conclusie dat de opkomst laag was omdat politici te weinig web 2.0 applicaties gebruikten. D66-Europarlementariër Marietje Schaake is het met hen eens. Ze schrijft in nrc.next (25 november) dat web 2.0 de burger bij Europa kan betrekken, maar dat politici nog onvoldoende in nieuwe media investeren.

Deze visie is misleidend om vier redenen.

De resultaten van de campagne van Obama worden in Nederland ernstig overdreven. Drie miljoen Amerikanen zijn op zijn online sociale netwerk in enige vorm actief geweest. Dat is 1 procent van de Amerikaanse bevolking. In Nederland zouden dit 160.000 mensen zijn, aantallen die nauwelijks tot de verbeelding spreken. Ter vergelijking: er zijn in Nederland meer mensen lid van een politieke partij, en dat aantal vinden experts altijd te laag. Waarom is 1 procent van de bevolking op een online netwerk dan plotseling een succes dat navolging verdient?

Het is nog maar de vraag of ervaringen in Amerika iets zeggen over de Nederlandse situatie. In Amerika bestaat een cultuur van een – onder sommige groepen – veel grotere politieke participatie dan in Nederland: burgers gaan langs de deuren om kandidaten te promoten, bellen andere burgers op en organiseren lokale bijeenkomsten om geld in te zamelen. In Nederland gebeurt er niets van dit alles, en al helemaal niet bij Europese thema’s. Niemand zou het in Nederland in zijn hoofd halen bij de buren aan te bellen om hen over te halen bij de Europese verkiezingen te gaan stemmen of deel te nemen aan een Europees burgerinitiatief.

Tweede Kamerleden zetten al enige jaren web 2.0 in om in contact te komen met hun achterban. Onderzoek naar hun Hyves-vrienden laat echter zien dat ze daar maar nauwelijks in slagen. Of het nu gaat om bekende of onbekende Tweede Kamerleden: Nederlanders voegen het Kamerlid alleen toe aan hun profiel, maar nemen geen contact op, voeren geen discussie en lezen zelfs de blog niet. De belangrijkste en ook enige activiteit is het aanmelden bij de hyve: een schril contrast met de activiteiten die Amerikaanse burgers voor een politicus ondernemen.

Het is de vraag of Obama überhaupt door web 2.0 gewonnen heeft. De auteurs van het boek Barack.inc, Barry Libert en Rick Faulk, komen tot een andere conclusie: hun analyse van Obama’s campagne laat zien dat niet web 2.0, maar vooral Obama’s boodschap de massa in beweging bracht. En daar zit precies het probleem voor Europese politici: zij hebben geen boodschap waar burgers echt voor in beweging willen komen. Op hen komt het Europese politieke debat irrelevant over. Landelijke politiek blijft hun referentiepunt.

Er is, kortom, geen enkele reden om aan te nemen dat een extra Twitter-account, een online sociaal netwerk of een YouTube-kanaal burgers enthousiaster over Europa maakt. Deze initiatieven zijn er immers – weliswaar mondjesmaat – allang. Om burgers bij Europa te betrekken, hebben Europese politici vooral een aansprekende en concrete boodschap nodig, geen web 2.0.

Chris Aalberts doceert nieuwe media en politiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit Antwerpen.