TOEN IK ZEVEN WAS... ben ik ontvoerd

Vroeger nam Sinterklaas stoute kinderen mee naar Spanje, in de zak. Raymond is ook een keer ontvoerd, maar niet door de Sint.

Ik speelde buiten op straat, tijdens het speelkwartier. Plotseling kwamen er twee onbekende mannen die me onder mijn oksels oppakten en meenamen, zonder iets te zeggen. Ze hadden me stevig vast. Ik weet nog precies wat ik dacht, terwijl zij mij meevoerden naar het eind van de straat: „Dat is nou wat ze bedoelen als ze je zeggen dat je nooit met vreemde mensen moet meegaan. Zo gaat dat nou.”

Het werd een rare dag. Aan het eind van de straat was een groot gebouw, waar de mannen me naar binnen sleurden. Daar stond een derde man. Inmiddels huilde ik zeker, want die derde man zei: „Tja, daar hebben we niks aan zo. Doe die maar weer weg.” De twee mannen zetten me buiten de deur, waar ik mijn schooljuf in de armen liep. Die was door de andere kinderen gewaarschuwd dat ik was ontvoerd en was achter me aan gehold.

Tien minuten later zat ik bij het hoofd der school – ik weet zijn naam nog: Pannekoek – en ik moest heel precies vertellen wat er was gebeurd. Het gebouw waar de mannen mij mee naar toe hadden genomen was een middelbare school, het Amsterdams Lyceum. En zo zat ik met Pannekoek een kwartier later bij de directeur van die andere school.

Ze kregen ruzie: Pannekoek eiste dat degenen die mij hadden meegenomen onmiddellijk opgespoord zouden worden, maar de directeur had daar niet zo’n zin in. We liepen terug naar mijn eigen school, en Pannekoek belde de politie. De volgende ochtend zou ik uit de klas worden gehaald door twee politieagenten. We zouden alle klassen van het Lyceum langsgaan en dan moest ik mijn ontvoerders aanwijzen.

De mannen waren dus niet echt grote mannen, maar schooljongens, nog geen tien jaar ouder dan ik. Als je zelf zeven bent, lijkt iedereen die ouder is een reus. De klassen langs hoefde ik niet. De andere directeur had de schuldigen toch zelf maar opgespoord, voordat de politie kwam.

Een week later zaten drie jongens bij mijn ouders op de bank om excuses aan te bieden. Ze hadden een chocoladereep voor mij meegenomen. Het bleek dat het om het pesten van een leraar Grieks ging. Die had nooit iets in de gaten als er in de klas kattekwaad werd uitgehaald, en nu hadden ze een klein jongetje in de klas willen zetten, om te zien of hij dat wél zou merken.

Ik heb aan mijn ontvoering geen boze dromen overgehouden. Maar het gevoel dat ik had toen ze me meenamen, heb ik soms nog wel. Omdat ik journalist ben, zie ik soms nare dingen: arme landen waar de mensen honger hebben, oorlogen waarin mensen elkaar doodmaken, ook kinderen. Je hebt mensen die dat niet kunnen aanzien, of boos worden of iets willen doen om te zorgen dat het ophoudt. Ik heb dat niet zo. Ik vind het ook wel erg, en ik vind ook wel dat het anders zou moeten zijn. Maar ik denk toch altijd eerst, een beetje gelaten: zo gaat dat nou.