TIJDSCHRIFT

De nieuwste Armada (no. 56) is getiteld Ingrijpende gedichten. De overweldigende poëzie-ervaring van…, waarbij op die puntjes de naam van een vertaler, literatuurwetenschapper of iemand anders die z’n geld in de letteren verdient ingevuld kan worden, en die uitlegt welk gedicht hem het dierbaarst is. Zoiets, want het blijft in het ongewisse welke lading de kwalificatie ‘overweldigend’ nu precies moet dekken. Mensen die zich al jarenlang door bloemlezingen en gecanoniseerde verzamelde werken heen gapen en dan, paf!, ineens door een duivels vers een schop onder de kont krijgen en wakker worden: zoiets stel je je erbij voor. In de meeste gevallen vertellen mensen echter gewoon wat ze een mooi of slim gedicht vinden.

Maarten Asscher leefde als bedeesde jongeling in de veronderstelling dat je een meisje ‘met een weloverwogen poëziecitaat het hof kon maken’. Vrij naar Rilkes ‘Du musst dein Leben ändern’ trok Asscher na enkele pijnlijke ervaringen de harde conclusie: Du musst dein Lesen ändern. Nadat hij bijvoorbeeld op gezwollen toon Boutens citeerde, wees een vriend hem er op dat de dichter alleen maar had geprobeerd op te schrijven hoezeer hij ervan baalde dat een meisje niet met hem naar bed wilde. Dit was Asscher ontgaan, maar later kwam alles goed.

Hoe marginaal de geestesrevoluties bij veel anderen ook zijn geweest, het is zeker geen straf om stukken van T. van Deel of Jaap Goedegebuure over gedichten van Vestdijk of Baudelaire te lezen. Zo vraagt Goedegebuure zich af of er niet veel aan interpretatie verloren gaat wanneer we zeggen dat een literair werk over ‘het menselijk tekort’ gaat (een 21ste-eeuwse uitvinding). Het is een term die geen recht doet aan het onbehagen waar schrijvers als Kafka en Baudelaire het eigenlijk over hebben.