Optimisme op Vlieland

Koos van Zomeren beschouwt om de week de natuur.

Ik was op Vlieland omdat Lenze Hofstee daar was, en Lenze was daar voor de periodieke telling van wad- en watervogels in het hele waddengebied, altijd op een eerste zaterdag na springtij.

Die ochtend werden we even voor hoogwater afgezet op het puntje van de Vliehorst. Na een veelbelovende zonsopgang was er zeemist komen binnendrijven. We zouden zeker vogels missen, we zouden moeite hebben om ons in die immense leegte te oriënteren. Stel je voor: verdwalen in die platte, waterige wereld – wanneer krijg je zo’n kans!

Afijn, de wind. De wind moesten we in onze rug houden. En zo begonnen we. Lenze zette geregeld zijn telescoop op om hem op een schijnbaar amorfe streep overtijende vogels te richten. Hij bracht ze op naam en gaf getallen. Ik schreef die met een stomp potloodje en stijve vingers in een boekje. Het was warm voor de tijd van het jaar, maar dat wil niet zeggen dat het niet koud was.

Na verloop van tijd begon het op te klaren. Stilaan verbreidde zich over heel het landschap een typisch waddenzeese helderheid. In dit licht zagen we Jeroen Reneerkens aankomen. Uiteindelijk troffen we elkaar op de grens van onze sectoren. Hoe was het bij jou? Hoe was het bij jullie? En zullen we dan nu gaan proberen om kleurringen af te lezen bij drieteentjes en kanoeten?

Toen we terugwaren in het knusse veldstation van Staatsbosbeheer bij het Posthuis hadden we ruim zes uur lang behalve elkaar geen mens gezien. Na een tijdje doezelen zette Lenze zich aan het rekenen. Onze score: meer dan 31.000 vogels, vooral rosse grutto, bonte strandloper, wulp, zilverplevier en drieteen (en één blauwe kiekendief, juveniel vrouwtje). Leeg was die immense leegte dus allerminst geweest.

Zaterdagavond – zeven, acht man rond een geweldige pan nasi, en nog rijkelijker dan het bier vloeiden de verhalen. Over vogels, over de vervuiling van de wereldzeeën, over momenten dat we in levensgevaar waren geweest (voor zover je daar weet van hebt natuurlijk).

Zondagmiddag – op de boot naar Harlingen. Lenze vertegenwoordigt de stichting WAD, een voortzetting van de actiegroep Wilde Kokkels. In deze kwaliteit behoorde hij, glimmend van geluk, tot de ondertekenaars van het mosselconvenant. Maart dit jaar. Een mijlpaal. Eindelijk, eindelijk hebben overheid en andere partijen zich verplicht om voorrang te geven aan de natuur in ons belangrijkste natuurgebied, de Waddenzee.

Als uitvloeisel hiervan wordt nu een herstelprogramma opgesteld. Mossels en kokkels en zeegras (wat je noemt de ‘systeembouwers’) moeten kunnen terugkeren en zo een nieuw (in wezen oud) fundament onder dit weergaloze ecosysteem leggen.

We naderden de vaste wal. Het was een mooi weekend geweest.

Lenze had in 1974 kennisgemaakt met het wad, toen hij 16 was; ik in 1967, toen ik 21 was. Tientallen jaren hadden we daar rondgelopen met het vooruitzicht dat het de volgende keer minder zou zijn. Nu mochten we stilletjes gaan hopen dat het de volgende keer beter zou zijn.