Op Vlaamse vloer ligt geen tapijt meer

Vlaamse textielarbeiders krijgen als eersten Europese globaliseringssteun. Maar het geld komt te laat, het is te veel en maar voor een beperkte groep werklozen, zeggen ze in Vlaanderen.

Ronny Wils, uit Vlaams Limburg, zette jarenlang de klossen met garen op de machines die vloerbedekking maken. Daarna stond hij achter de machines om kapotte draden te repareren. Hij was ook heftruckbestuurder geweest, en hij had het magazijn van de tapijtfabriek beheerd.

Afgelopen zomer hielp hij de Chinezen die naar België waren gekomen de machines in vrachtwagens te laden. Het was zijn laatste dag bij General Carpets in Bocholt, het bedrijf was failliet.

Ronny Wils (42) laat op zijn computer de foto’s zien die hij van de Chinezen maakte, en van de lege fabriekshal. Hij legt twee horloges op tafel: het ene kreeg hij na tien jaar dienstverband, het andere na vijfentwintig jaar. Als je hem vraagt hoe hij zich voelde op de dag dat de Chinezen kwamen, weet hij niet meteen wat hij moet zeggen. Dan zegt hij: „Ik wist elk schroefje te liggen.”

Zo’n drieënhalf duizend Vlaamse textielarbeiders raakten het afgelopen jaar hun baan kwijt. Deze week besliste het Europees Parlement in Straatsburg dat Vlaanderen 9,2 miljoen euro krijgt om ontslagen textielarbeiders aan een nieuwe baan te helpen.

De Vlamingen krijgen het geld uit een fonds van de Europese Commissie voor werknemers van bedrijven die lijden onder de globalisering. Het fonds werd opgericht na het ‘nee’ tegen de Europese grondwet in Frankrijk en Nederland in 2005. Het was bedoeld om te laten zien dat de Europese Unie méér is dan een grote, vrije markt in een nog grotere, harde wereld. Omdat van het fonds nauwelijks gebruik werd gemaakt en omdat er een economische crisis kwam, werden de criteria om geld te krijgen verruimd.

De Vlaamse textielarbeiders krijgen als eersten steun uit dat vernieuwde fonds. In het Franstalige deel van België is nauwelijks textielindustrie, in Vlaanderen zitten tapijtfabrikanten die marktleider zijn in Europa. De meeste bedrijven staan net naast de E17, tussen Antwerpen en Kortrijk – de ‘textiel-autostrade’. Daar heeft ook de grootste producent van matrasstoffen in Europa, Bekaert Textiles, het hoofdkantoor. Daar wonen de meesten van de ongeveer 27.000 textielwerknemers.

Denk niet dat ze in de Vlaamse textiel schrikken van een crisis. Ze zien aan hun eigen vloeren waarom ze nauwelijks nog voor eigen land produceren. Bij Ronny Wils uit Vlaams Limburg liggen plavuizen. Zijn vroegere baas Paul Leen, die failliet ging, heeft parket.

In de woonkamer van Erik Deporte, directeur van Associated Weavers in Ronse (gespecialiseerd in kamerbreed tapijt), ligt parket met tapijten erop. Marleen Devoddere, die bij Associated Weavers achter de machines staan, heeft laminaat. „Omdat mijn zoon aan astma lijdt”, zegt zij.

Vervolg Textiel: pagina 16

Eenmaal Bekaert, altijd Bekaert. Maar niet meer

De werkgevers en vakbonden zijn blij met de Europese steun voor de ontslagen textielwerknemers. Maar het geld komt wel erg laat, het is alleen voor de werknemers die hun baan in een bepaalde periode verloren en het is te véél, zeggen de mensen die de projecten voor scholing en training moeten bedenken: het gaat om 9,2 miljoen van de EU en dan nog 4,6 miljoen euro van de Vlaamse regering. En dat voor 2.199 mensen, van wie de meesten nog moeten worden opgespoord. „We hadden eerst een fout beeld”, zegt directeur Michel Annaert van Cobot, het opleidingscentrum voor textielwerknemers dat de trainingen organiseert. „We dachten dat we iedere ontslagen werknemer erbij konden betrekken.” Maar zo wil de Europese Commissie het niet. Annaert: „We zijn ervan overtuigd dat het budget nu veel te groot zal zijn.”

In gesprekken bij drie Vlaamse textielbedrijven beginnen directeuren over wetenschappelijke onderzoeken die aantonen dat vloerbedekking juist beter is voor mensen die allergisch zijn of longproblemen hebben. „De polen van het tapijt houden fijn stof vast”, zegt Erik Deporte van Associated Weavers. „Als je dat regelmatig cleant met een goede stofzuiger, is het gezonder dan laminaat of hout. Daar circuleert het stof op.”

Tapijt, zegt Deporte, houdt warmte vast. Tapijt dempt geluid. Maar de nieuwste reclamecampagne, waaraan Belgische bedrijven volgend jaar een paar honderdduizend euro uitgeven, is niet bedoeld voor de Belgische of de Nederlandse markt – dat is nu „minder dringend” – maar voor de Britse: Fun on the Floor. „Om tapijt opnieuw sexy te maken”, zegt Deporte.

In Engeland en Ierland houden ze nog wel van vloerbedekking, het grootste deel van de Vlaamse tapijten gaat daarheen. Maar dan moeten mensen wel huizen blijven kopen (die ze dan natuurlijk moeten inrichten) en dat doen ze door de economische crisis minder vaak. En waar de Vlaamse textielbedrijven vooral last van hebben: de lage waarde van het Britse pond.

In de lege hal van General Carpets, in Vlaams Limburg, vertelt directeur Paul Leen hoe optimistisch hij vorig jaar om deze tijd nog was. Het was crisis, maar zijn bedrijf – opgericht in 1938 als spinnerij, door zijn grootvader – had al eerder zware tijden overleefd. Midden jaren tachtig was hij opeens de Amerikaanse markt zo goed als kwijtgeraakt, toen zijn afnemers daar zelf vloerbedekking gingen maken. Vanaf de jaren negentig exporteerde hij zo’n 95 procent van zijn tapijten naar Engeland en Ierland. Hij had, denkt hij, de huizencrisis kunnen doorstaan als twee dingen goed waren gegaan: het pond had in waarde moeten stijgen, zoals vorig najaar werd voorspeld, en de firma die zijn krediet verzekerde, had niet opeens problemen moeten maken. Het pond daalde en Paul Leen kreeg niet meer genoeg krediet verzekerd, omdat het bij andere tapijtbedrijven slecht ging. „Dan zal dat bij u ook wel zo zijn.” In december was General Carpets failliet.

Heftruckbestuurder Ronny Wils hoorde het op 17 december, een dag na zijn verjaardag en twee dagen vóór het jaarlijkse personeelsfeest, waarbij iedere werknemer altijd vijftig euro kreeg. Dat feest ging niet door.

De fabriekshallen van Bekaert Textiles in Waregem, West-Vlaanderen, staan ook leeg sinds afgelopen zomer. Tien jaar geleden werkten er nog ruim 1.500 mensen. En ze werkten er vaak al lang. „De gemiddelde anciënniteit lag boven de twintig jaar”, zegt bestuurder Milo Pieters. „Mensen zeiden: ‘Eenmaal Bekaert, altijd Bekaert’.”

Nu staan er Bekaert-fabrieken in de VS, Mexico, Argentinië, Australië, Tsjechië, Turkije, China – om dichter bij de klanten te zijn, of omdat er goedkoper wordt gewerkt. In België is alleen nog het hoofdkantoor en er is een afdeling voor productontwikkeling.

De laatste productieafdeling in België werd begin dit jaar gesloten. Milo Pieters: „Sociaal bekeken is dat heel jammer. De tijd van de textiel als grote werkgever in Vlaanderen is voorbij. Maar dat komt door de evolutie op de wereldmarkt. Wij hebben geen alternatief gevonden voor onze strategie.”

Milo Pieters zegt dat hij heel wat nachten wakker lag omdat hij mensen moest ontslaan die hij lang geleden zelf had aangenomen. Hij vindt het goed, zegt hij, dat de Europese Commissie geld beschikbaar stelt voor de ex-werknemers. Maar hij denkt ook dat Europa zal moeten accepteren dat het gebied tussen Amsterdam en Parijs, tot Keulen en Frankfurt, zich ontwikkelt tot stadseconomie, zonder massaproductie.

Cobot, het opleidingscentrum van de Vlaamse textielwerknemers, is vier weken geleden al begonnen om de 2.199 mensen te zoeken die volgens de criteria van de Europese Commissie in aanmerking komen voor hulp bij het vinden van nieuw werk. Cobot schrijft brieven, er is een website voor de ontslagen textielwerknemers.

Tot nu toe reageerden zo’n vijftig mensen. Ook als ze al wel weer werk hebben, kunnen ze geld krijgen voor cursussen of trainingen die ze de afgelopen tijd hebben gevolgd. Want hun ontslag is alweer een tijd geleden: de Europese Commissie geeft geld voor textielwerknemers in Oost- en West-Vlaanderen die tussen 31 mei 2008 en 28 februari 2009 hun baan kwijtraakten, en in Vlaams Limburg als ze tussen 1 augustus 2008 en 31 maart 2009 werden ontslagen.

Het idee om voor de Vlaamse textielarbeiders geld te vragen uit het Europese fonds komt van de Vlaamse christen-democratische Europarlementariër Ivo Belet. Hij stond, zegt hij, deze week met een dubbel gevoel in de zaal van het Europees Parlement in Straatsburg, waar de steun voor de ex-werknemers definitief werd goedgekeurd. Hij was blij dat het geld binnen was voor zijn ‘Vlaamse achtertuin’. Maar hij dacht ook aan de verhalen die hij de afgelopen weken had gehoord: van ex-werknemers die net in een andere periode waren ontslagen, of net in de verkeerde regio hadden gewerkt. „De bedoeling van het fonds”, zegt Belet, „is om mensen zo snel mogelijk weer aan het werk te helpen. Want hoe langer je wacht, hoe moeilijker het wordt. Maar als je het zo stroef maakt, zo weinig flexibel, dan doen we die doelstelling teniet.”

Ivo Belet begrijpt wel waarom de Europese Commissie zo streng is: „Deze ochtend nog kregen we als parlement een verslag van de Europese Rekenkamer. Bij elke misstap, hoor je: we gaan de boel verstrakken, we bedenken extra regeltjes. Omdat het allemaal zo gevoelig ligt bij de publieke opinie.”

Belet heeft ook al gehoord dat er waarschijnlijk te veel geld is voor het aantal ex-werknemers dat zich mag melden voor trainingen en cursussen. „Dan moet er dus geld terug naar de Europese Commissie, terwijl er nogal wat mensen zijn die ook zwaar getroffen zijn door hun ontslag, of die nog ontslagen gaan worden, en die geen hulp krijgen.” Dat is absurd, vindt Belet. „Je krijgt het ook niet uitgelegd aan de mensen.”

In de fabriek van Associated Weavers in Kuurne, bij Kortrijk, werken tot het eind van dit jaar nog honderdelf mensen. Twintig van hen kunnen aan het werk op de hoofdvestiging in Ronse, de anderen worden ontslagen.

Marleen Devoddere en Annie Cnockaert staan achter de machines, ze werken sinds hun veertiende in de textiel. In ploegendienst: van ’s ochtends vijf tot ’s middags één, of van één uur ’s middags tot negen uur ’s avonds. Ze zijn nu 53, ze komen allebei een paar maanden tekort om in aanmerking te komen voor het zogenoemde ‘brugpensioen’, een regeling voor werknemers vanaf 54 jaar die hoort bij het sociaal plan dat de werkgever met de vakbonden heeft afgesproken. Ze denken dat ze te oud zijn om nog een andere baan te krijgen. „Je ziet dit soort dingen op tv”, zegt Marleen Devoddere. „Je denkt er nooit aan dat je het zelf meemaakt.”

Hun collega Pascal Huyghe, heftruckchauffeur, is nog maar 35. En hij is een goeie werker, zegt zijn afdelingsmanager. „Die vindt nog wel een baan.” Huyghe is daar zelf niet zo zeker van. Hij was een jaar lang ernstig ziek, hij had darmkanker. Nu moet hij vaak naar de wc, soms twintig keer op een dag. Bij Associated Weavers doet niemand daar moeilijk over. „Hier is mijn tweede thuis. Maar wat zal een andere baas zeggen? Gaat hij dat goedvinden?”

Pascal Huyghe, Marleen Devoddere en Annie Cnockaert krijgen geen steun uit het Europese fonds. Ronny Wils uit Vlaams Limburg past wel in de criteria. Officieel werd hij in januari ontslagen bij General Carpets. Daarna werkte hij voor de curator: hij hielp bij het afwerken van de laatste bestellingen en het opruimen van het bedrijf. In het najaar kon hij niet op zoek naar werk doordat hij een hernia had. „Nu word ik tureluurs van het thuiszitten.”

Hij kreeg een brief van Cobot over cursussen en trainingen, betaald uit het globaliseringsfonds. Hij heeft geen idee welke cursus hij zou willen doen. „Maar ik ga zeker bellen.”