Ook Obama wordt een oorlogspresident

De oorlog in Afghanistan leeft in Washington, maar daarbuiten steeds minder.

De bevolking verliest haar vertrouwen in de oorlog. „It’s pissing money in a rathole”.

Het is een gure avond op de militaire luchtmachtbasis van Dover. Uit een Boeing 747 zijn zojuist vier kisten, bedekt met de Amerikaanse vlag, op een metershoge hydraulische lift gezet. Nabestaanden arriveren in een bus op de landingsbaan. De lift daalt, een camera klikt, militairen komen aanmarcheren en dragen de kisten in een witgespoten vrachtwagentje. Geen toespraken, geen muziek. Op de achtergrond giert het geluid van een generator.

Dit is de ‘plechtige’ ontvangst die de gevallenen van de oorlogen in Afghanistan en Irak sinds een half jaar in het openbaar krijgen. Jarenlang lag de legerleiding onder vuur omdat media niet werd toegestaan de aankomst van de oorlogsdoden te verslaan. Onder Barack Obama is dat veranderd. Als nabestaanden het goedkeuren zijn verslaggevers en camera’s welkom op deze afgelegen basis in de staat Delaware.

Maar er is iets eigenaardigs met de plechtigheden: er wordt nauwelijks verslag van gedaan.

Zo waren afgelopen dinsdagavond slechts twee Amerikaanse media aanwezig in Dover, samen met een televisieploeg van het Duitse Der Spiegel en deze krant. En dat was een hoge opkomst, vertelt freelance fotograaf Steve Ruark uit Baltimore, die voor AP aanwezig is bij elke ‘waardige overplaatsing’, zoals de ceremonie officieel heet. „Meestal ben ik de enige.”

Het contrast met Washington is groot. Anticiperend op Obama’s aankondiging volgende week dinsdag om meer militairen naar Afghanistan te sturen, was de laatste maanden in de Amerikaanse hoofdstad een soort Afghanistan-festival gaande. Discussies, lezingen, boekpresentaties: er leek geen einde aan te komen.

„Wie in dit land over oorlog praat krijgt aandacht. Wie in de oorlog vecht niet”, zegt Vietnam-veteraan Joe Galloway, een toonaangevende militaire columnist die eerder voor Colin Powell, oud-minister van Buitenlandse Zaken, werkte.

Toch heeft alle aandacht in Washington wel enige logica: een president die zijn verkiezing mede dankt aan zijn verzet tegen de ene oorlog (Irak), committeert zich nu aan een andere (Afghanistan). Obama wordt oorlogspresident. Galloway, een vroege tegenstander van de oorlog in Irak, kan er nauwelijks over uit. „Ik verwachtte zo veel van deze man. Ik ben echt woest”, zegt hij. Extra militairen voor Afghanistan is volgens hem investeren in een hopeloze missie – „pissing money in a rathole”. Al-Qaeda is niet meer in dat land, de krijgsmacht van de VS is overbelast, Amerika heeft het geld niet. De laatste tijd denkt Joe Galloway: waren Bush en Cheney er nog maar. „Die hadden er ook een potje van gemaakt. Maar dan had ik me niet zo belazerd gevoeld.”

Het is nog onduidelijk hoe Obama’s plannen er exact uit komen te zien. Commandant in Afghanistan, generaal Stanley McChrystal wil 40.000 à 45.000 meer militairen, bovenop de 68.000 die de VS al in het land hebben. Alles wijst erop dat de troepen die Obama volgend jaar stuurt (32.000 volgens media, aangevuld met 7.000 à 10.000 manschappen van bondgenoten) een tijdelijke missie krijgen. Dan kan voor 2012 met terugtrekken begonnen worden.

De scepsis is niettemin groot. Zo kijken kenners op van het aantal militairen van NAVO-bondgenoten dat de regering inboekt. „Wensdenken”, zegt Arturo Munoz, die dit voorjaar een dertigjarige carrière bij de CIA inruilde voor de denktank Rand Corperation. Hij adviseerde militaire leiders in Afghanistan. „De waardering voor de oorlog daalt in de NAVO-landen nog sneller dan bij ons.”

Maar wat volgens hem een groter probleem is: het snelle terugtrekken dat Obama van plan is, zal op termijn de Talibaan versterken. Het dreigt de uitbreiding op voorhand zinloos te maken. „Zodra zij weten wanneer wij terugtrekken, zitten ze het gewoon uit. De Talibaan kunnen hun hele leven vechten. Ze zeggen: ‘Jullie hebben horloges, wij hebben de tijd’.”

En Munoz vindt dat Obama tot nu toe faalt in het opvoeden van zijn land over Afghanistan. Het opleggen van westerse waarden vindt hij onzinnig. De kleine corruptie van de politie zit mensen dwars, niet de grote corruptie van de familie-Karzai waar Democraten over spreken. „De culturele verschillen zijn enorm. Een president die daarover zwijgt, zal nooit de steun van zijn bevolking krijgen voor missies die hij daar uitvoert.”

Het neemt niet weg dat Obama’s plannen een kans verdienen, zegt Munoz. Er is geen alternatief. „Maar of het zal werken weet ik niet. Wie wel?” Joe Galloway lacht de verhalen over terugtrekken-op-termijn weg. Bush zei vele malen dat extra troepen voor Irak een voorbode voor hun vertrek waren. „We zitten er nog.”

Intussen heeft het debat over Afghanistan de pikorde in Obama’s regering veranderd. De mediagevoelige ‘AfPak’-afgezant Richard Holbrooke staat volgens insiders al weken buitenspel. Senator John Kerry voerde een geslaagde bemiddeling uit met Karzai, waardoor zijn aanzien sterk steeg. Hillary Clinton is onzichtbaar. En de man die de meeste touwtjes in handen heeft is een Republikein: minister van Defensie Robert Gates, een Texaanse vriend van Bush sr.

Het is niet onzinnig, zegt Galloway, om Gates een politieke agenda toe te dichten. Hij had een lange carrière in de CIA en „praat regelmatig met de oude Bush”. Hij „weet waar de lijken begraven liggen”. En hij is handig genoeg om Obama’s zwakte te doorzien: de neiging altijd een middenpositie te kiezen. „Maar als je dat op zo’n vraagstuk toepast, loop je het risico dat uiteindelijk niemand tevreden is. Dat zie je nu gebeuren.”

Gates heeft laten doorschemeren dat hij uiterlijk zomer 2010 opstapt, en Galloway zegt al te weten welke Republikein hem opvolgt: ex-senator en Vietnam-veteraan Chuck Hagel. „Die kent de dossiers, die weet uit eigen ervaring wat oorlog is. Van hem zou ik weer een beetje hoop krijgen.”

Het neemt de realiteit niet weg: dat veel Amerikanen hun belangstelling voor de oorlog in Afghanistan hebben verloren. Op de eenzame autoritten die AP-fotograaf Steve Ruark sinds mei van zijn huis in Baltimore naar de luchtmachtbasis in Dover maakt, stelt hij zich de vraag geregeld: waarom ben ik enige?

Meer dan vijftig keer heeft hij nu gevallenen zien aankomen. Hij weet ook wel dat media niet telkens hetzelfde evenement verslaan. Maar toen laatst Obama een plechtigheid op de basis bezocht struikelden de cameraploegen over elkaar heen. Hij is verslaggever, hij wil niet oordelen. Hij dacht alleen: „Is dit logisch?”

Het zijn incidenten die verklaren dat de militaire gemeenschap steeds meer in zichzelf keert, zegt Galloway. „Mensen die praten over oorlog weten niet wat het is. Mensen die weten wat het is praten er niet over.”