Meer moslims dan radicale rotjochies

Islam-onderzoek is vaak gericht op radicalisering.

Onterecht, zegt Thijl Sunier vandaag in zijn oratie als hoogleraar. ‘Geloofsbeleving verandert ingrijpend.’

Moslims zijn de meest onderzochte bevolkingsgroep van Nederland en toch weten we maar weinig over hun geloofsbeleving. De reden voor die paradox is dat veel onderzoekers werken in opdracht van de overheid. En die is vooral geïnteresseerd in randverschijnselen als hangjongeren en radicalisering. Dat gaat antropoloog Thijl Sunier vandaag vertellen in zijn oratie als hoogleraar aan de Vrije Universiteit.

De Europese islam, Suniers leeropdracht, is één van de snelst groeiende onderzoeksgebieden van de laatste jaren. Dat komt, zegt de hoogleraar, omdat de aanwezigheid van 15 miljoen moslims overheden van de Unie zorgen baart. „Die zorg dateert niet van na 9/11. Die begon met de immigratie van grote groepen moslims.”

Dat proces leidde volgens Sunier tot een associatie van migratie met integratie, de overbrugging van wat wordt ervaren als een culturele kloof tussen moslims en de rest van de Europese bevolking. „Na 9/11 werden moslims ook nog eens gezien als veiligheidsrisico. Zo ontstond een nieuwe beleidsprioriteit: domesticatie van de islam. En de onderzoeksagenda’s werden daarop afgestemd, want wie betaalt, bepaalt.”

Sunier zegt dat de geloofsbeleving van moslimimmigranten ingrijpende veranderingen ondergaat door het leven in Europa. Wat hij mist, is geduldig veldonderzoek in stadswijken waar veel moslims wonen. „Als wijken ter sprake komen, zijn het alleen containers van problemen: criminele jongeren, volkomen geïsoleerde ouderen. Maar er gebeurt van alles met het sociale weefsel in die buurten.”

In Rotterdam, waar Sunier medio jaren negentig onderzoek heeft gedaan, was de autochtone bevolking tegen Überfremdung, nog meer moslims in de wijk. „Maar er was ook veel samenwerking. De enorme afstand die er nu is in het politieke debat, praten over mensen die je niet ziet, maar die wel opduiken op tv en in kranten, die is er niet in de wijk. Het is niet allemaal koek en ei, maar moslims wortelen wel degelijk in die wijken, ze veranderen, en veel leren door of beginnen een eigen zaak.”

Ook zou Sunier graag zien dat er meer onderzoek komt naar nieuwe vormen van religiositeit onder moslimjongeren. „Dat zij wegdrijven van de islam van hun ouders is evident. Maar dat maakt hen nog niet seculier of radicaal. Er bestaan allerlei varianten aan de randen van de religie. Nog nauwelijks geëxploreerd is het grensvlak tussen islam en populaire cultuur. Jonge moslims zijn voortdurend met elkaar in discussie over wat er wel of niet islamitisch is aan een bepaalde stijl van kleden of muziek.”

Die discussies worden gevoerd op de werkvloer, tussen leerlingen in de klas, en daarbij kan het heel hard toegaan. „Zulke aanvaringen zijn juist goed, die dwingen jonge mensen tot aanscherping van hun opvattingen. Dat zijn processen waardoor de islam verandert, iets nieuws wordt.”

Moslims in Europa bevinden zich in een overgangsproces, zegt Sunier. „Twintig, dertig jaar geleden was de situatie heel overzichtelijk. De islam was een migrantenreligie, moslimleiders waren mensen die veel macht hadden, want zij waren tussenpersonen tussen de eigen, onmondige gemeenschap en overheden. Die leiders zijn intussen bejaarde heren die het alleen nog over vroeger hebben. Steeds meer moslims zijn hier geboren. Ze hebben hier hun wortels, staan bloot aan de invloed van moderne media. En dan kan leiderschap niet meer gebaseerd zijn op de verhoudingen in het land van herkomst. Er komen nieuwe leiders en dat zijn niet allemaal schriftgeleerden.”

Wat is er nieuw aan die leiders? Sunier: „Ze zijn zich er heel goed van bewust dat zij hun gezag steeds opnieuw moeten verdienen en het niet kunnen ontlenen aan hun status van geleerde of bestuurder.” Sunier rekent ook politici als Ahmed Aboutaleb, Ahmed Marcouch en Fatima Elatik tot die nieuwe leiders. „Alle drie worden ze door Marokkaanse Nederlanders als de hunnen beschouwd. Ze zijn uitermate kritisch over bepaalde aspecten van de islam. Maar ze wijzen de islam niet af als bron van het kwaad. Ze proberen die juist op een subtiele manier in te brengen. En ook dat is een bron van hun gezag.”