Meer moraal in recensies graag!

Geëngageerde Nederlandse romans genoeg, aldus Renate Dorrestein. Dat men het daar niet over heeft, is de schuld van critici.

‘Het oprekken van het inlevingsvermogen zie ik als een belangrijke morele functie van de literatuur,’ aldus de Vlaamse schrijfster Anne Provoost vorig jaar in een interview met Literatuurplein.nl. Dat is een stelling die ik van ganser harte onderschrijf. Romans onderzoeken wat het betekent mens te zijn, ook in onmenselijke omstandigheden. Romans dagen ons uit ons te verdiepen in dilemma’s die niet de onze zijn. Fictie verruimt de blik en helpt de eigen en andermans onvolkomenheden onder ogen te zien.

In mijn roman Is er hoop is de hoofdpersoon een jongen met een laag IQ die zijn plek in de wereld moet zien te veroveren. Zijn oma raakt in gewetensnood als blijkt dat hij op een speelveldje een baby heeft opgepakt en mee naar huis heeft genomen. Als zij naar de politie gaat, heeft dat voor haar kleinzoon vreselijke gevolgen. Wat moet ze beginnen? Wat zou u doen?

Literatuur heeft de goede gewoonte dit soort morele dilemma’s op te werpen. Je kunt zelfs stellen dat literatuur de moraal mede vormgeeft. Niet omdat romans ons belerend toespreken, maar omdat wij zelf, al lezend, onze gevoelens over goed en kwaad herzien. Daarbij zijn kwesties van stijl en vorm van belang, want een verhaal- met-een-moraal is natuurlijk nog niet per definitie geslaagd, maar het kenmerk van een goed verhaal is wel dat het morrelt aan onze morele codes.

Als kind lag ik nachten wakker van de arme kleine zeemeermin van Andersen, die ondanks al haar offers haar prins niet krijgt. Tegenwoordig groeien generaties kinderen op met de suikerzoete Disney-variant van dat verhaal, die geruststellend is waar het origineel ontregelend was. Antwoorden hebben de plaats van vragen ingenomen. Dat is ook het geval bij de ‘literaire thrillers’ van nu waarin iedereen zijn trekken netjes thuiskrijgt. Die boeken zijn op een drenzerige en zelfgenoegzame manier intens burgerlijk. Ze beogen spannend te zijn, maar ze willen niet verontrusten. Hun bestaansrecht is gelegen in de bevestiging die ze verschaffen.

In de arena van de literatuur zónder aanhalingstekens daarentegen, is moraal nu juist geen tandeloze schootkat. Denk bij voorbeeld aan Marja Brouwers’ roman Casino, waarin een uitgesproken visie op de jaren negentig wordt gegeven, een verrotte samenleving, getekend door narcisme en de zucht naar geld, seks en macht. Of aan de onbehaaglijke satirische roman Wolfstonen van Herman Franke. Maar gek genoeg, zo constateerde Aleid Truijens in de Volkskrant, hebben deze boeken weinig inhoudelijke discussie veroorzaakt, omdat recensenten niet ingingen op de morele vragen in deze boeken, maar vooral op literair-technische elementen.

De Frans-Bulgaarse filosoof Tzvetan Todorov signaleerde al een tijdje terug dat ‘literatuurdocenten en -critici aan een akelig soort smetvrees lijden: een roman zou je eens iets over jezelf en de wereld kunnen vertellen’.

Is die smetvrees de reden dat er zo is voorbijgegaan aan de kern van de romans van Brouwers en Franke? En betekent dat dus dat expliciet schrijven over moraal een ongewenste bezigheid is geworden, onder het motto ‘boodschappen doe je maar in de supermarkt’?

Dat is des te vreemder omdat er met enige regelmaat amechtig geroep klinkt om romans met meer engagement. Onlangs sloot hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde Thomas Vaessens zich aan bij dit koor. In De revanche van de roman stelt hij dat ‘literaire kwaliteit’ toe is aan een herdefiniëring, met maatschappelijke relevantie als toegevoegd criterium. Wat een ergerlijk gratuit geblaat toch. Romans zoals Vaessens ze bedoelt, zijn er heus volop. Alleen worden de vragen die ze oproepen, in recensies niet of nauwelijks besproken. Wat zit daar achter?

Ik kreeg de gelegenheid deze kwestie voor te leggen aan de Peruviaanse schrijver Mario Vargas Llosa, auteur van wat hij zelf ‘committed literature’ noemt, die onlangs in Nederland was. Voor hem was het klip-en- klaar. ‘Dit soort literatuur,’ zei hij, ‘gedijt het best in een instabiele situatie, als er zaken op het spel staan. Dan zijn schrijvers scherp en hun critici ook, waardoor er inhoudelijke discussies over romans op gang komen. Maar wanneer, zoals in Nederland, de omstandigheden rustig lijken, dan verlegt de aandacht van de literatuurkritiek zich gemakkelijk van ethiek naar esthetiek, waarbij over het hoofd wordt gezien dat literatuur nu juist vooral om morele keuzes draait, net zoals politiek. Literatuur zonder moraal is entertainment. En entertainment dient het handhaven van de status quo. Het is vreselijk dat recensenten vaak zogenaamd literaire argumenten gebruiken om juist die boeken af te kraken die meer zijn dan alleen maar ongevaarlijk entertainment.’

Eenmaal thuis hoefde ik niet lang te zoeken naar een voorbeeld van wat Vargas Llosa met dat laatste bedoelde. Bij de eerste Nederlandse roman waarvan ik de ontvangst googlede, WIJ van Elvis Peeters, was het al raak. Het boek volgt een groepje jongeren dat op grenzeloze wijze met seks en macht experimenteert. Cruciaal daarbij is dat zij zich onttrekken aan iedere vorm van volwassen controle. Peeters presenteert aldus een niet mis te verstane moraal. Ouders die de ogen altijd maar afwenden, zijn ervoor verantwoordelijk dat hun kinderen monsters worden. Zijn meesterlijke roman heeft mij wekenlang achtervolgd.

In een recensie in NRC Handelsblad steekt Pieter Steinz zijn afkeer en zijn afkeuring van het boek echter niet onder stoelen of banken. Hij vergelijkt WIJ onder meer met American Psycho van Bret Easton Ellis, om dan te concluderen dat Peeters ‘anders dan de Amerikaanse cultschrijver [...] geen intelligent spel heeft willen spelen met de conventies van de moderne roman’.

Deze gewichtige zin vereist langdurige bestudering, en dan weet je nog niet wat er staat, behalve dat Elvis Peeters hier wordt beticht van een literaire faux pas die blijkbaar zijn weerga niet kent. Maar kan iemand mij vertellen waarom een schrijver de ambitie zou moet hebben zich met hart en ziel aan het spel met romanconventies te wijden? Bewaar me, zeg. Wat een flauwekul. Een puik voorbeeld, lijkt me, van een strikt ‘zogenaamd literair argument’.

Ook verder volgt Steinz de aanpak die Vargas Llosa hekelde. Zijn moeite met de ethiek van WIJ vertaalt hij in vermeende esthetische tekortkomingen ervan. Hij vindt dat WIJ ‘een originele stijl’ ontbeert en dat is voor hem de doorslaggevende reden om het ‘een slecht boek’ te noemen, een boek dat ‘geen scherpe morele visie’ tentoonspreidt.

Wat hier waarschijnlijk wordt bedoeld, is dat Steinz het laakbaar vindt dat Peeters zijn personages niet moreel veroordeelt. Tja, hoe braaf en gezapig kun je zijn? Maar het kan toch niet zo wezen dat de moraal van een boek alleen recht wordt gedaan als die de recensent welgevallig is? Als diens wereldbeeld er niet door wordt aangetast?

In dat geval hebben we in meer dan één opzicht een probleem. Want met alle respect, hoe veelomvattend en vooral hoe divers en lekker dwars is het wereldbeeld dat door de Nederlandse literatuurkritiek wordt belichaamd? Met wat minder respect, zijn veel recensenten niet in de grond gipsen afgietseltjes van elkaar? Zo is, uit het hoofd geschat, ruim 99 procent van hen blank en van goed-bataafse komaf. 95 procent heeft waarschijnlijk dezelfde colleges bij dezelfde docenten gelopen. 90 procent woont of werkt in Amsterdam en lijdt aan de grootstedelijke oogkleppenmentaliteit dat Amsterdam gelijk staat aan heel Nederland. Ook is het merendeel der recensenten nog altijd man. Verder heb ik het vermoeden dat zij behoren tot de slechts 15 procent van de Nederlandse bevolking die atheïst is maar denkt dat iedereen dat is. Dat zijn allemaal factoren die een bepalend effect hebben op iemands blik en morele codes.

Is er in de literatuur zelf per definitie sprake van een botsende en daardoor bevrijdende meerstemmigheid, voor de kritiek in ons land gaat dat niet op. Er is gewoon te weinig variëteit, er is te veel gedeelde achtergrond, er zijn te veel vergelijkbare persoonlijke omstandigheden. Individuele smaakverschillen of excentriciteiten kunnen dat niet ondervangen. Dat kunnen recensenten niet helpen, maar hun redacties wel. Het zou in de kritiek niet mogen aankomen op het gelijk van één nogal homogene groep met onvermijdelijk z’n eigen geborneerdheden en vooroordelen. Een zot voorbeeld daarvan is dat romans doorgaans de beste kans op fraaie besprekingen hebben wanneer ze gaan over mensen tussen de twintig en de veertig jaar. Of over oude mannen die ’m niet meer omhoog krijgen, natuurlijk. Met een vrouw in de overgang als hoofdpersoon (je zou toch zeggen: vergelijkbaar met het problemarium van ‘falende’ mannen) kun je als auteur beter niet komen aanzetten.

De consensus over dit soort zaken legt romans eigenaardige beperkingen op: het ene onderwerp geldt als een valide literair thema, het andere niet. Maar heeft dat oordeel nu echt iets uit te staan met literaire validiteit en kwaliteit, of met de lauwwaterdrinkersmoraal van besprekers die niet eens in de gaten lijken te hebben dat ze er überhaupt morele codes op na houden van waaruit ze oordelen? Die het bij het idee van ‘een boodschap’ al op de heupen krijgen, maar tegelijkertijd zaniken om ‘meer engagement’, en die vervolgens engagement niet herkennen wanneer het hen recht in het gezicht staart?

Zelf zit ik al meer dan 25 jaar vrijwel wekelijks oog in oog met lezers in een bibliotheek of multifunctioneel buurtcentrum, en het is mijn indruk dat die veel meer in ethische dan in esthetische kwesties zijn geïnteresseerd. Voor de gemiddelde eerstelijnsgebruiker van het boek zijn vooral het verhaal en de morele dilemma’s van de personages van belang, en niet een al dan niet intelligent spel met de conventies van de moderne roman.

Literatuur, zegt Vargas Llosa, stelt ons in staat om te dromen. En wie droomt, is bijna automatisch bezig een bestaande situatie te ondermijnen, of in elk geval te bevragen. Daar voeg ik graag aan toe: en daarbij kunnen lezers en schrijvers geen recensenten met smetvrees gebruiken.

Dit is een ingekorte versie van de lezing die Renate Dorrestein vandaag in het Letterkundig Museum hield op het symposium ‘De moraal van het verhaal’ georganiseerd door de Jan Campert Stichting. De volledige tekst is te lezen op renatedorrestein.nl en nrcboeken.nl. Daar kunt u ook reageren, net zoals via boeken@nrc.nl