Job Cohen is een achtenswaardige man

De Leidse hoogleraar Afshin Ellian schreef in de NRC-bijlage Opinie & Debat eens dat hij ‘kotsmisselijk’ van hem werd. De columnist Theo Holman schildert hem minstens eens per week in Het Parool af als een incompetente sukkel. En het PVV-Kamerlid Hero Brinkman noemde hem ‘de slechtste burgemeester van Nederland’.

Drie redenen om Job Cohen een achtenswaardig man te vinden?

Dat krijg je gauw in een gepolariseerde samenleving. Vijanden zijn snel gemaakt, vrienden van de weeromstuit nog sneller aan de borst gedrukt. Het is ook de regelrechte consequentie van het door de advocaten Spong en Hammerstein na de moord op Pim Fortuyn likkebaardend op de kaart gezette begrip ‘demonisering’, dat met enige moeite als een misdrijf schijnt te kunnen worden aangemerkt. Maar tot in de jongste druk van Van Dale heeft het woord nog niet eens z’n politieke, laat staan z’n criminogene lading meegekregen. ‘Demoniseren’, lezen we: ‘als kwaad beschouwen, duivels voorstellen’.Dat klinkt meer als een gewoonte onder primitieve volkeren dan iets dat met het Nederland van 2009 te maken zou kunnen hebben. Maar ja, hoe primitief is het Nederland van 2009? Als Cohen zou willen, zou hij zich door Ellian, Holman en en Brinkman ‘gedemoniseerd’ kunnen voelen: de drie voeren immers geen polemiek met hun tegenstander, ze voeren meer een hetze. Maar Cohen wil niet.

Wat heeft hij in de ogen van zijn opposanten precies misdaan? Zij vinden hem, om het in hun eenvoudige taal te zeggen, eerst en vooral te aardig voor moslims. Hij onderschat daardoor het risico dat zij vertegenwoordigen. Met imams die vrouwen en homo’s haten drinkt hij liever een kopje thee dan dat hij ze het land uitzet. En hij doet al die dingen, in z’n eigen woorden, ‘om de boel bij elkaar te houden’.Vooral dat laatste schijnt hem door de wederpartij ernstig kwalijk genomen te worden: het onderstreept de slaphartigheid waarmee hij zelfs het vaderland in gevaar kan brengen. Ellian – de sluwste stokebrand van de drie – heeft al een paar keer geschermd met de naam van Chamberlain die, zoals bekend, thee dronk met Hitler.

Elf lezingen die Cohen sinds zijn aantreden (in 2001) als burgemeester van Amsterdam heeft uitgesproken, zijn intussen gebundeld en van de bloemlezing zou je moeten kunnen aflezen of de aantijgingen enige grond hebben. Het boekje is Binden genoemd. Een titel om z’n critici extra op stang te jagen? Alles wat met verbinden, bruggen bouwen en verzoenen te maken heeft, werkt daar immers als een rode lap op een stier. Maar het is vast niet zo. Cohen is een serieuze man. Wat hij, met de ambtsketen om, in het openbaar te berde heeft gebracht, is altijd uitgedraaid op een oproep tot binding die wat hem betreft onontbeerlijk is om een stad met 175 nationaliteiten leefbaar te houden. Geen andere titel zou de inhoud van de bundel beter hebben gedekt.

Veel van de toespraken hebben indertijd meteen het nieuws gehaald – zijn verhaal uit 2003 over de betekenis van religie ‘als bron van sociale cohesie’ bijvoorbeeld, dat in eerste instantie is misverstaan als een pleidooi voor een welbewust religieus reveil, en zo ook lang is blijven rondzingen. Bij herlezing kom je het betoog tegen van een erudiet en ongodsdienstig gezagdrager die de Latijnse stam van het woord religie kent (religare = binden), en weigert de secularisatie die hem dierbaar is, heilig te verklaren.

Van hoog (juridisch) gehalte was ook de Multatuli-lezing (2005), waarin hij het onoverbrugbare verschil schetste tussen de denkwereld van het ‘Verlichtingsfundamentalisme’ en de traditionele Hollandse geest van polderen en schipperen. En waarin hij met instemming Remco Campert citeerde, die vlak na de moord op Theo van Gogh schreef: ‘De vrijheid van meningsuiting is toch iets anders dan het recht om mensen tot in hun ziel pijn te doen?’ Cohen zag de problemen scherp; hij zag er zelden de noodzaak van in om ze ook meteen in alle scherpte ter discussie te stellen.

Hij is natuurlijk de belichaming van die traditionele Hollandse geest van polderen en schipperen. Zijn beleid als ‘binder’ is niettemin steeds consistent en herkenbaar geweest. De toespraken, voorop misschien toch wel de indrukwekkende Cleveringa-lezing (2002), zijn variaties op dat ene thema: de boel bij elkaar houden. Het bijna achteloos uitgesproken zinnetje tijdens het eerste interview na z’n benoeming, is ook het leitmotiv in een inleidende vraaggesprek van Bas Heijne waarin hij toegeeft: „Steeds weer leg ik de nadruk op het belang van dialoog, van gematigdheid. […] Dat sommige mensen dat soft vinden, komt voort uit hun eendimensionale manier van denken. Dat men mij daar tegenover stelt, vind ik prima.”

Job Cohen is een achtenswaardig man.

Job Cohen: Binden. Bert Bakker, 253 blz. € 18,95