In staat van milde ontregeling

Ze kreeg de Librisprijs voor haar verhalen, en nu ligt daar van D. Hooijer de roman ‘Catwalk’. Gelukkig zijn de passanten daarin nog niet aan conformisme ten prooi gevallen.

D. Hooijer: Catwalk. Van Oorschot, 168 blz. € 16,50

Aanvankelijk illustreerde D. Hooijer haar werk met kleine, stripachtige tekeningen – in haar debuut Kruik en kling (2001) staan er nog een paar. Ze stopte met publicatie van die illustraties omdat ze vreesde dat die af zouden leiden van de tekst, dat ze de woorden ironischer zouden maken dan haar bedoeling was. Om verwante redenen, zo vertelde ze anderhalf jaar geleden in deze krant, wilde ze af van de overdadige beelden in haar stijl. „Dit lijkt veel te veel op poëzie”, zei ze over haar derde verhalenbundel Sleur is een roofdier, twee weken voor die ook tot haar eigen verbazing bekroond zou worden met de Librisprijs.

Toen werkte Hooijer al aan haar eerste roman, Catwalk. Die is inderdaad geschreven in een voor haar doen zakelijke stijl, maar het conformisme dat daaruit spreekt heeft zich van haar personages gelukkig nog niet meester gemaakt. Die kenmerken zich net als in de eerdere verhalenbundels door een doortastendheid die tegen het absurde aanschurkt. Neem de vrouw die haar pokdalige neefje Fons aan het begin van het boek driehonderd gulden toestopt. ‘Doe er maar mee wat je wilt, je bent achttien. Voor pijn part ga je naar de hoeren. Dat is goed voor je huid.’

Het eigenlijke verhaal van Catwalk speelt zich dertig jaar na die episode af, als Fons – inmiddels weduwnaar, ex-politieagent en privédetective bij het bureautje van zijn broer – in de ban raakt van een groep vrouwen die hij beroepshalve enige tijd in de gaten heeft gehouden. Die komen bijeen in de woning van de uittredende escort Margriet, waar ook de tachtigjarige buurvrouw Mieneke vaak verblijft alsmede haar naaister Wilma. Ook de in Parijs woonachtige moeder van Margriet, Eva, duikt er op.

De vrouwen brengen Fons uit zijn evenwicht: ‘Hij schaamt zich voor zijn vurigheid, zeg maar gerust geilheid’. Waarbij het niet een van de jonge schonen is die zijn lust het meeste aanjaagt, maar de tachtigjarige Mieneke. Zij wijst hem af in vriendelijke schaamteloosheid: ‘Als wij iets beginnen, iets idioots, zal het een week leuk zijn […] Ik ben te oud en daarom ben ik een ander dan jij. Zie je ons in bed en weer en weer in dat bed?’ Zelfs zijn tegenwerping ‘Het enige dat jij hoeft te doen is liggen. Niets meer, niets minder. Ik zal je niet uitputten’ mag niet baten.

Hooijers personages voeren gesprekken, waar alle franje van af is, waardoor de kern meteen bloot komt te liggen. Ze hebben niet de behoefte – of het vermogen – om zich in de nevelen te hullen die in het sociale verkeer gebruikelijk zijn. Ze flappen er van alles uit: ‘Vreemd, Peet, ik heb zo vaak gewenst dat je om vergeving zou vragen en nu het zover is, vind ik er niets meer aan.’

Het geeft ook Catwalk een reeks komische momenten en een permanente staat van milde ontregeling. Die maken de kracht uit van Hooijers werk, maar brengen ook een gevaar met zich mee. Want een overdaad aan aardige buitenissigheden kan je het idee geven dat het de schrijver alleen om die aardigheden te doen is: om de gedachtesprongen en de vreemde bokkensprongen van vrouwen die – een dwarsstraat – plotseling te Parijs hun neuzen laten verkleinen.

Het boek ontleent zijn titel aan de huiskamermodeshows waarop de naaister Wilma haar bizarre creaties presenteert. Die zijn op het eerste gezicht alleen maar vreemd, zoals een jurk met ontblote borst voor de bejaarde vrouw. Iemand meent dat het ‘verkleedkleren’ zijn, maar wordt gecorrigeerd: ‘Nee man, het is ernstig bedoeld.’ Het citaatje komt overeen met de dubbelhartige verhouding ten opzichte van haar eigen werk die Hooijer in het interview uitsprak.

Zeker is dat Catwalk in de loop van het onstuimige verhaal (zwangerschap, bevalling, dood, zelfs een aanslag) zich steeds verder verwijdert van de valkuilen van de ironie. Hooijer gebruikt daarbij een enkele stoplap (‘Wat doet het leven? Doorgaan’), maar de personages worden steeds menselijker. Dat maakt Catwalk tot méér dan een uit zijn voegen gegroeid kort verhaal.

Het tweede deel van het boek levert beelden op die meer ontroeren dan ontregelen, zoals dat van een vrouw die niet wakker wordt als een huisgenoot luidkeels om hulp roept: ‘Eva ligt met gebalde vuisten te slapen. Ze fronst in haar slaap. Haar dromen zijn angstig en deze kreet past er in.’ Prachtig is het beeld van de vrouw die een overlijdensbericht krijgt van haar broer: ‘Zijn zuster meende zelfs dat ze een jaar geleden al een rouwkaart van hem gekregen had. „Wie is dát dan geweest”[...]’.

Zoals in alle boeken van D. Hooijer draait het om het bestaansrecht van degenen die net niet aan de maatschappelijke conventies voldoen. Waarbij de troost die Hooijer in Catwalk te bieden heeft, eruit bestaat dat de outcasts in het boek zo nadrukkelijk als groep gaan functioneren. Een groep die de gelegenheid krijgt zijn eigen regels te stellen. Wanneer Hooijer schrijft ‘Fons hoort haar hele reeksen verstandige woorden zeggen’, weet je dat dat de opmaat voor een verwijdering is.

Een hemelbestormende literaire agenda heeft Hooijer daarmee niet. Maar de onsentimentele en tegelijkertijd doorvoelde wijze waarop Hooijer haar groep randfiguren schetst, geeft haar een unieke plaats in de Nederlandse letteren, waarin de middelpuntzoekende krachten al jaren de overhand hebben.

Lees het interview uit 2008 met D. Hooijer op nrcboeken.nl