'Ik zie een spin die niemand ziet'

De schilderijen van Jan van der Pol zijn overzichtelijk ingedeeld in vakken, die hij ‘compartimenten’ noemt. Zijn doeken, die nu getoond worden in Tricot Winterswijk en Galerie Nouvelles Images, worden wel als wild omschreven. „Maar elke vierkante centimeter is overwogen.”

Een lichtgrijze houten vloer, witte wanden. Op een tafel tegen de muur staan potten met kwasten keurig in het gelid, verftubes liggen er in ordelijke rijtjes achter.

„Oei, zo’n netjes opgeruimd atelier heb ik nog nooit gezien”, flap ik er bij binnenkomst uit. We zijn op de zolderverdieping van het huis van Jan van der Pol (60) in Amsterdam. „Ja”, zegt hij, „dat opruimen heb ik van de schilder Melle geleerd toen ik op de Rietveld Academie zat. Hij zei: ‘Jongen leg die tubes nou op een rijtje, dan zie je meteen wat er ontbreekt. Schilderen is al moeilijk genoeg, dus zorg dat je de boel netjes houdt.’ Ik dacht: ‘Die man heeft gelijk.’ Ik doceer twee dagen per week aan de Koninklijke Academie in Den Haag en als ik daar op sommige werkplekken de onvoorstelbare zooi zie waarin geen tube meer herkenbaar is doordat ze geheel met verf zijn besmeurd, ben ik elke keer weer verbaasd. Want dat is onhandig werken hoor.”

Ordenen, rangschikken, opbergen, sorteren, rubriceren – het zijn begrippen die vaak terugkeren in het gesprek met Jan van der Pol. Niet alleen zijn werkruimte is een toonbeeld van overzichtelijkheid, ook in zijn schilderijen zijn de diverse motieven zorgvuldig gerangschikt in vakken, kaders, of, zoals hij het zelf noemt, in ‘compartimenten’. Door die ordening kan hij in één schilderij allerlei associaties kwijt en er zowel figuratieve als abstracte elementen in onderbrengen.

Van der Pol: „Als je op straat drie mensen ziet aankomen, heb je ze in een fractie van een seconde getypeerd en allerlei eigenschappen toegedicht. Dat is ordenen, rubriceren, zonder die capaciteit kun je niet bestaan. Dat rubriceren is ook handig bij het schilderen: ik vind het prettig dat je in één doek meer dingen naast en onder elkaar kan weergeven en overzien.” Hij vertelt hoe hij in Frankrijk eens op een heuvel zat en over het landschap staarde en zich ineens bewust werd dat terwijl hij dat landschap in zich opnam er van alles door zijn hoofd bleef spoken – herinneringen, of het werk waaraan hij bezig was. „Je hebt allerlei beelden in je hoofd en die kleuren het zicht op je omgeving. Ik bedacht dat ik zulke simultane ervaringen in mijn schilderijen kon verwerken.”

Zo schilderde hij bijvoorbeeld een landschap gezien door de voorruit van een auto en door de achteruitkijkspiegel: „Die twee uitzichten, die je tegelijk waarneemt, kun je in een schilderij uiteenhalen en op een andere manier weer in mekaar zetten. Daar houd ik van, dat deed ik als kind al, ik haalde alles uit mekaar, dat heeft wel een paar wekkers gekost.”

Veel van zijn doeken tonen desolate landschappen waarin de mens zijn sporen heeft achtergelaten. Fabrieksterreinen, verlaten gevangenenkampen, uitgestorven kruispunten of lege asfaltwegen die tussen donkere bosschages lijken te verdwijnen in het niets. Hij combineert die landschappen met uitdagende naakten, met portretten of imaginaire koppen, met egale kleurvlakken, felroze vegen, of een ritmisch rasterpatroon dat soms doet denken aan versperringen en prikkeldraad; of met andere elementen. In de catalogus bij de tentoonstelling die Jan van der Pol deze herfst in Warschau had, typeert schrijver Atte Jongstra – met wie hij in 2004 de prenten- en poëziemap Magazijn Memoria maakte – zijn ‘pluriforme’ schilderijen als een vorm van ‘fusion-painting’. Maar wat hij ook allemaal mixt op zijn doeken en hoe ruig ze ook zijn geschilderd, altijd is er in de compositie die overzichtelijke indeling.

Van der Pol: „Ik hield als kind al van verzamelen, het romantische idee van het ordenen van de wereld. Mijn vader verzamelde vlinders en kevers en daar holde ik ook achteraan. Op avonden ‘dat het vloog’, zoals dat heette, hing hij een enorme lamp van 2000 watt aan de schuur en hield hij dat vanuit het keukenraam in de gaten. Dan kwam er een vlindertje om die lamp dansen en zei hij: ‘Oh, dat is toch weer een andere.’ Hij zag het zesduizendste anderhalve centimeter lange, grijze nachtvlindertje, maar het was net weer iets anders. Zo ontwikkel je een scherp oog voor details. Als ik nu door een perkje loop, zie ik een spin die niemand ziet omdat die spin dezelfde kleur heeft als de bloem waarop hij zit.

„Toen mijn vader overleed, erfde ik zijn vlinderverzameling. Ik vind die bizarre kleurstellingen en de ontwerpjes op de vleugels fantastisch, daar kan ik eindeloos naar kijken. Het helpt me ook in mijn werk. Als ik aan het schilderen ben stagneert de zaak weleens. Dan trek ik een vlinderlaatje open, kijk naar het onwaarschijnlijk diepe blauw op de vleugels en dan kan ik ineens weer verder met het schilderij. Hoe dat mij van de zandbank trekt, weet ik niet. Soms lees ik iets, twee zinnen Kafka, en dan weet ik ook weer hoe ik verder moet.”

Van der Pol is nog altijd bezig de vlinderverzameling van zijn vader aan te vullen. Nee, hij loopt niet als een Nabokov met zijn netje door de velden, hij verzamelt vlinders via internet: „Je weet niet wat je daar ziet: geoliede sites waar je foto’s van vijftienduizend verschillende soorten van alle kanten kunt bekijken, aanklikken en in je boodschappenmandje doen. Ik ben gefascineerd door al die patronen in de natuur. Ik kijk ook met grote verwondering naar filmpjes van inktvissen die kleurpatronen over hun lichaam kunnen laten golven. Het is onvoorstelbaar dat dat bestaat.”

Hij toont een laatje vol zwart-rode vlinders met witte stipjes: „Dit zijn atalanta’s, die je in de stad veel ziet. Ze lijken zo’n beetje te fladderen, maar het gaat wel degelijk gericht ergens heen: ze vliegen in één dag van Amsterdam naar Parijs, tegen de wind in.”

De talloze ladenkasten in zijn atelier en andere vertrekken blijken niet alleen gevuld met rijen op soort, patronen en kleuren gerangschikte vlinders. Er zijn ook laden vol fossielen en schelpen in alle tinten tussen wit en beige. „Ik kijk altijd of er iets te vinden is, ik loop overal te speuren, ook in de stad, en het is verrassend wat je hier allemaal aantreft aan insecten en andere kleine levende wezens.” Bovenop de ladenkasten, op schoorsteenmantels en lange glazen schappen is nog een andere indrukwekkende verzameling te zien, van kleine sculpturen uit Zuid-Amerika en vooral Afrika. Honderden mensbeeldjes, van hout of terracotta, gerangschikt naar de vorm en het land van herkomst. „Die beeldjes koop ik hier. Ik ben nooit in die Afrikaanse landen geweest, ik ben niet zo’n reiziger. En ik zie mezelf daar niet rondlopen als rijke witte man, want al heb je geen cent, dat ben je daar toch.”

Net als de vlinderverzameling hebben ook die etnografische mensbeeldjes invloed gehad op zijn werk: „Ze hebben vaak zo’n ongelooflijke directheid. Om ze beter te doorgronden heb ik ze een tijdje nagetekend. Dan zette ik er een voor me, alsof het een levend model was, en dan zag ik wat een degelijke observatie van de levende wereld er verankerd was in die beeldjes met al hun eigenaardige stileringen en vertekeningen. Het leerde me dat je een mens op oneindig veel manieren kunt uitbeelden.”

Het schilderen begon bij Van der Pol in de jaren zeventig met het weergeven van mensen: „Ja”, zegt hij, „mensen zie je steeds om je heen, die moet je in de gaten houden. Dus ik zette me daarmee uiteen, niet alleen tekenend en schilderend, ook door het lezen van literatuur probeerde ik mensen beter te begrijpen. Meestal plaatste ik de mens op mijn schilderijen in het landschap en dat doe ik nog steeds. En als er geen mensen in mijn landschappen staan, dan zijn die landschappen door mensenhand gevormd dus dan zijn ze toch zeer aanwezig.”

Hij schilderde ook rijen losse hoofden, vaak ontleend aan tv-beelden of foto’s uit kranten en tijdschriften. Of hij combineerde die omkaderde koppen met andere motieven. De laatste jaren zijn de koppen een beetje uit zijn schilderijen verdwenen en kwam het landschap weer meer naar voren. Maar af en toe duikt er toch weer een op, zoals in het schilderij Noorderzon (2008), waarop een frontaal weergegeven, ongure kop een leeg kustlandschap flankeert. Van der Pol: „Dit is de man die vorig jaar in Assen in een politiecel zat en geen woord zei. Men wist niet wie hij was, hij was met de noorderzon gekomen in plaats van vertrokken. Later bleek het een Engelse crimineel te zijn. Ik zag zijn foto in de krant en die intrigeerde me. Ik was toen in Oost-Nederland en in al die dorpen heb je daar dit soort jongens, met zo’n lange haardos en ongezonde huidskleur, die rondrijden op tractoren en naar heavymetalconcerten gaan.”

Al zijn ze nooit heel gedetailleerd geschilderd, de koppen van Van der Pol hebben vaker een onmiskenbaar sinistere uitstraling. Zo toont de tekening The unknown citizen (2006) een verstarde, akelige mannenkop. Geeft die tekening zijn visie op zijn medeburgers weer?

„Die tekening is gebaseerd op een foto van een man die door terroristen gevangen werd gehouden, zijn gezicht is versteend van angst. Die angst wilde ik tekenen. Maar het is waar: met een star gelaat ga ik eerder aan de slag dan met een uitbundig lachend gezicht.” Later in het gesprek, als we naar een andere geschilderde kop kijken, dit keer van een gevangene in een concentratiekamp in de Oeral waarover hij een televisiedocumentaire had gezien, geeft hij toe dat hij ‘zeer wantrouwig’ staat tegenover de mensheid: „Ik vind het onbegrijpelijk wat mensen elkaar kunnen aandoen. Het is griezelig en bedreigend, daarom ben ik op mijn hoede. Als je het leed van de mensen zou kunnen omzetten in energie om een lamp op te laten branden, zou de hele wereld permanent helder verlicht zijn. Ja, dat reflecteren mijn schilderijen, voor mij is het omgaan met beelden een manier om te peinzen over het bestaan zoals ik dat om me heen zie. Ik zoek niet systematisch het duistere, maar je moet wel een wonderlijke optimist zijn om het niet te zien.”

Jan van der Pol groeide op in een ‘stijf gereformeerd’ gezin in Aalsmeer waar zijn vader een rozenkwekerij had. Hij vertelt hoe zijn vader ’s avonds „met een vreemde, gedragen stem” uit de bijbel voorlas, over de „verschrikkelijke kerkdiensten”, het onvermogen van zijn ouders om plezier in het leven te hebben – „ze zaten hun hele leven te wachten op het hiernamaals” – , de neerdrukkende sfeer in het gezin en de strenge controle die zijn vader op hem uitoefende zodat hij al jong, buitenshuis, „een verborgen bestaan” ging leiden. Hij voelde zich thuis „totaal misplaatst”.

Het klinkt als een vreselijk jeugd, was het dat ook? „Die vraag moet ik met een volmondig ja beantwoorden”, zegt hij monter. „Er kon niets. Helemaal niets.”

Op zijn zestiende zou hij van de mulo overgaan naar de hbs omdat hij goed was in wiskunde. Maar hij hoorde over de kunstnijverheidsschool, zoals de Amsterdamse Rietveld Academie toen heette, en deed daar, zonder dat zijn ouders het wisten, toelatingsexamen: „Onder het toeziend oog van Jan G. Elburg moest ik met houtskool een gigantisch boeket natekenen. Ik vond het een fantastische dag en had eindelijk het gevoel dat ik tussen normale mensen zat. Ik werd aangenomen. Dat gaf thuis consternatie, mijn ouders waren verbijsterd, ze hadden geen idee wat voor opleiding dat was. Maar mijn vader begreep dat hij me niet kon dwingen de kwekerij voort te zetten en hij respecteerde mijn beroepskeuze.”

Hij noemt het kwekerijenlandschap uit zijn jeugd ‘het lelijkste wat je kunt bedenken’: „Ik vond dat landschap droevig omdat ik me er eenzaam voelde. Maar er waren dagen dat ik datzelfde landschap ook mooi kon vinden. Als kind keek ik ’s avonds uit het raam van mijn slaapkamertje en dan zag ik het late licht van de zon op de kassen schijnen. En elke kwekerij had een hoge gemetselde schoorsteen bij het ketelhuis, het was een prachtig ritmisch woud van schoorstenen, afgewisseld door die rijzige populieren.”

De kassen, schoorstenen, populieren, lange wegen en donkere vaarten door de polders bij Aalsmeer zijn terugkerende motieven in zijn werk. Van der Pol: „Ik sprak eens iemand die het heerlijk vond om in de jungle te zijn, aan alle kanten overspoeld door het groen. Dat leek mij een nachtmerrie. Ik zoek, ook in mijn schilderijen, de ruimte. Die schoorstenen en populieren zijn heel bepalend geweest bij de opbouw van mijn schilderijen, ze geven een ritmische structuur waarmee je compositorisch veel kunt doen.”

In Tricot, een schitterende expositieruimte die vorig jaar werd geopend in een voormalige tricotfabriek in Winterswijk, is nu een overzichtsexpositie te zien van schilderijen en etsen van Jan van der Pol vanaf begin jaren tachtig tot nu. De expositie kreeg de titel Jan van der Pol, het woeste werk. Die titel verwijst naar de ‘Nieuwe Wilden’ in de schilderkunst die in de jaren tachtig furore maakten. Ook Van der Pol werd destijds als een ‘jonge wilde’ gezien.

Nog steeds is hij gewend zijn doeken in één dag te schilderen, met grove, soms klodderige streken, altijd nat-in-nat. Maar een ‘wilde schilder’ is hij niet: „Dat ben ik ook nooit geweest. Er zit een knipoog in die titel ‘het woeste werk’. Ik krijg vaak als commentaar: ‘Jeetje, wat is dat werk heftig en wild.’ Maar mijn schilderijen zijn heel gecalculeerd. Ik ga bedachtzaam te werk. Elke vierkante centimeter is overwogen en overwogen. En bij elke veeg die is gezet stap ik achteruit en denk: kan het zo blijven?”

Jan van der Pol, het woeste werk. T/m 24 jan in Tricot, Tricot 11, Winterswijk. Wo t/m zo 12-17u. Inl: www. tricotwinterswijk.com. T/m 9 dec zijn 26 recente schilderijen van Jan van der Pol te zien bij Nouvelles Images, Westeinde 22, Den Haag. Di t/m za 11-17u. Inl: www. nouvellesimages.nl