Heb ik wel zin in de toekomst?

Ook het protest kent modes. Een paar jaar geleden had je de kitsch van de open brief – je kon geen krant openslaan of je trof een epistel van een Hollandse Zola aan, die zich in de rol van eenzame waarheidszegger geroepen voelde een gezagsdrager of boegbeeld de maat te nemen. Ayaan schreef Job, Leon schreef Geert Mak, Sylvain las alle Nederlandse moslims de les. Je zou er bijna nostalgisch van worden. Nooit lees je meer een open brief. De vlammende verlichtingsretoriek is in rook opgegaan. Zola en Voltaire worden niet meer aangeroepen, Spinoza staat allang weer in de kast. De briefschrijvers zijn vertrokken of teruggezakt in onbeduidendheid.

Het paste bij die jaren, jaren waarin het integratiedebat zich nog voltrok als een vorm van verheven cultuurkritiek, toen het ging over westerse waarden, principes die verdedigd moesten worden, verlichting die moest worden opgelegd – heel die intellectuele aanstellerij waar het inmiddels ter ziele gegane blad Opinio het symbool van was. Hun erfgenaam heet Geert Wilders.

Maar je bent nog niet verlost van de ene plaag, of de volgende dient zich aan. Sla nu een krant open (meestal is het de Volkskrant) en je belandt niet langer in een ronkende open brief, maar een collectief opgestelde oproep – of in de overtreffende trap ervan: een manifest. Speelde het genre van de open brief in op de mythe van de eenzame strijder, die zijn woorden met de moed der wanhoop de wereld in slingerde, de oproep en het manifest moeten het juist hebben van bedachtzaam gedeelde zorg. Hier spreekt het collectief, een groep vooraanstaanden die spreken vanuit gemeenschapszin, die elkaar gevonden hebben in de overtuiging dat het de verkeerde kant opgaat – met het klimaat, met de zorg, met de kunsten, met de dijkverzwaring, met de seks, met Nederland of met Israël. Het genre is net zo weinig effectief als de open brief. De week na de oproep of het manifest verschijnt er een tegenartikel, en misschien nog een, en daarna hoor je er niets meer van.

Afgelopen week verscheen in de Volkskrant een manifest van Tofik Dibi, Kamerlid namens GroenLinks, ondertekend door een aantal medestanders, waarin werd opgeroepen tot – ja, tot wat eigenlijk? Het was een manifest, maar de inhoud was opvallend omzichtig, alsof de opstellers vooral de schijn van oud-linkse betweterigheid wilden vermijden. Ik vat even samen: het integratiedebat was voortvarend begonnen met Frits Bolkestein, maar daarna snel verzuurd en inmiddels een kwalijke karikatuur: terwijl media en politiek zich dag in, dag uit wentelen in de malaise van straatterroristen en de imam die vrouwen geen hand wil geven – kortom, al die kwalijke zaken die Wilders benoemt – is er een groeiende groep zelfbewuste nieuwe Nederlanders die zich aan die stigmatisering onttrekt, die ambitieus en ongebonden is en zijn eigen leven maakt, die – of wacht, zeg het maar in je eigen woorden, Tofik:

„Voor het ongetrainde oog zijn wij moeilijk zichtbaar, maar wie op play drukt en verder kijkt dan de straattaal, de tattoo, de huidskleur of de oorverdovende iPod zal een nieuwe voorhoede aanschouwen. Een voorhoede die haar weg omhoog vindt via sport, politiek en kunst en cultuur en in toenemende mate de middenklasse bevolkt. Wij maken deel uit van een generatie die hecht aan een persoonlijke invulling van haar religie, aan een kritische houding ten aanzien van haar religie en aan een moderne levenswijze. Wij zijn jonge mensen die niet dromen van de jihad, maar van vrijheid en democratie. Niet van de hoek van de straat, maar van die ene opleiding en die felbegeerde baan.’’

Ik druk op ‘play’’– en wat „aanschouw” ik? Dat er een groep is die zich niet herkent in het eindeloze gekwaak over moslims en hun achterlijke cultuur, maar die ook geen trek heeft in de groepsdwang die het geloof van hun ouders hun oplegt. Daar ben ik het helemaal mee eens, Tofik heeft mijn steun. Maar zijn manifest is zo bevlogen dat het begint te ronken. Er wordt niet gezocht naar oorzaken van het succes van Wilders, er wordt geen generatieconflict in eigen kring uitgevochten, er wordt eigenlijk helemaal niets aangegaan – er wordt alleen opgeroepen om de knop om te draaien in naam van een nieuwe generatie.

Die nieuwe generatie heeft het getroffen – via „sport, politiek en kunst en cultuur” verwerft ze zich een vaste plek in de samenleving. Dat spreekt de gemiddelde GroenLinks-stemmer aan, die is – net als ik, trouwens – dol op sport, politiek en kunst en cultuur. Maar met de samenleving heeft het niet zo veel te maken. Die voorhoede die Tofik schetst, lijkt opvallend veel op de voorhoede die je zo vaak tegenkomt op internationale bijeenkomsten waarop keer op keer het moderne kosmopolitisme wordt gehuldigd, zonder dat het populisme of het fundamentalisme hun lelijke gezichten laten zien – een voorhoede, kortom, die er geen trek in heeft gezien te worden met de achterhoede. „In de volgende fase zijn wij vrij om de hoofddoek af te slingeren of strak om het hoofd te houden. Vrij om naar Suriname of Curaçao te reizen zonder onderworpen te worden aan een 100% controle. 100% vrij om kritiek te leveren op de multiculturele samenleving zonder voor xenofoob of racist uitgemaakt te worden. 100% vrij om xenofobie of racisme te bekritiseren zonder als politiek correct te worden afgeschilderd.”

100% vrij. Dit is niet bevlogen, dit is nietszeggend. Dit is geen overtuiging, dit is lifestyle. Er zijn alleen nog individuen, er is geen gemeenschap. In het manifest van Tofik wordt die zogenaamde volgende fase niet bevochten, niet bewerkstelligd door debat en analyse, zij is er gewoon opeens. Heel het manifest ademt de frisse ergernis van mensen die zich gedwarsboomd voelen, door die debiele Hollanders die hen tot in de tigste generatie als buitenlanders blijven zien en door nare Marokkaanse tasjesdieven die hun cv niet op orde hebben. Ik begrijp het wel, het is het gezonde egocentrisme van mensen die niet gehinderd door stereotypen hun eigen leven willen bepalen, maar doe dan niet of je maatschappelijk betrokken bent.

En hou op met die gemakzuchtige nadruk op rolmodellen in de wereld van „sport, politiek, kunst en cultuur”. Ik wil een goede Marokkaanse belastingconsulent, een gedreven Turkse huisarts, een kundige Somalische bankdirecteur. Dat is integratie, en daar zul je toch echt je stoel voor moeten uitkomen. Er is meer voor nodig dan luxe-engagement.