Hart en ziel niet te koop

Bezoekers van de National Gallery in Londen wanen zich de komende maanden op de Amsterdamse Wallen. Kijkend naar The Hoerengracht van Ed en Nancy Kienholz is iedereen een voyeur.

Wie wil zien hoe het lichaam van Karin eruitziet, heeft geen andere keus dan zich met enige gêne vanuit het halfduister voorover te buigen en naar beneden te gluren. De vrouwenfiguur – die een zwarte bh blijkt te dragen en rank is gebouwd – kijkt de bezoekers door een hoog deurraampje melancholiek aan. Ze is een prostituee, die in een belendend peeskamertje haar brood verdient.

Karin is een creatie van het Amerikaanse kunstenaarsduo Ed en Nancy Kienholz, die hun figuren liefkozend van namen voorzagen. Ze maakt deel uit van hun enorme ‘tableau’ The Hoerengracht, dat nu in de National Gallery in Londen te zien is. Het kunstwerk werd geïnspireerd door de Amsterdamse rosse buurt in de jaren tachtig.

Nooit eerder heeft de statige National Gallery met zijn befaamde collectie Europese schilderkunst van voor 1900 zo’n eigentijdse installatie in huis gehaald. Directeur Nicholas Penny lijkt er zich ook niet helemaal op zijn gemak bij te voelen. „Het is een hoogst serieuze tentoonstelling”, houdt hij journalisten daags voor de opening nadrukkelijk voor. „Ze verheerlijkt of romantiseert prostitutie op geen enkele manier.”

The Hoerengracht, een magnum opus waaraan de Kienholzen vijf jaar werkten, is een confronterend werk. De bezoeker belandt zonder pardon in de rol van voyeur. Elf vrouwengestaltes zitten of staan, veelal schaars gekleed, achter de ramen, bij het schijnsel van rode schemerlampjes. Het publiek kijkt bij hen naar binnen. Op straat is het donker en slingeren herfstbladeren en platgetrapte bierblikjes. Fietswrakken completeren het troosteloze tafereel.

In al zijn rauwe blootheid is de aanblik van dit alles voor Nederlanders, die er tot op zekere hoogte aan gewend zijn, minder schokkend dan voor buitenlanders. Vooral in Groot-Brittannië, waar meer aan privacy in de huiselijke sfeer wordt gehecht dan in Nederland en indirectheid als een deugd geldt, maakt zoiets indruk.

Ook de drijvende kracht achter de expositie, Colin Wiggins, hoofd van de educatieve afdeling van de National Gallery, werd door dit meedogenloze realisme overrompeld toen hij enkele jaren geleden The Hoerengracht op een expositie in Newcastle zag. Er borrelde bovendien nog een andere, verrassende associatie bij hem naar boven. „Ik had het gevoel dat ik regelrecht in een schilderij van Vermeer of De Hooch was gelopen”, zegt hij. „Ik dacht meteen: dit sluit aan bij onze collectie. We moeten dit samen laten zien.”

De manier waarop Nederlandse schilders in de zeventiende eeuw via een ingenieus perspectief inkijkjes boden in woningen van burgers was destijds revolutionair. Daarbij deinsden ze er dikwijls niet voor terug op hun schilderijen seksuele toespelingen te maken.

De National Gallery zelf beschikt onder meer over een Jan Steen, waarop een man zich handtastelijkheden veroorlooft bij een serveerster in een herberg, terwijl een andere man, naar haar kijkend, een pijp stopt. Het werk laat weinig te raden over omtrent het vervolg. Hetzelfde geldt voor een schilderijtje van Godfried Schalcken, waarop een man met goudstukken in zijn hand bij een jonge vrouw op een bed zit.

Zelfs Vermeer, de onbetwiste meester van het serene huiselijke tafereel, permitteerde zich soms zulke toespelingen op zijn schilderijen. Wiggins wijst op het doek Zittende Klavecimbelspeelster in de National Gallery. Een vrouw bespeelt in haar eentje het klavecimbel maar kijkt in de richting van een onbekende bezoeker. Een ander snaarinstrument in de hoek wacht op een bespeler om haar te begeleiden. Een teken aan de wand is voorts een net zichtbaar schilderij achter haar, dat een kopie vormt van een schilderij van Dirck van Baburen, waarop een vrouw zich laat omhelzen door een man met een goudstuk in zijn hand. Wiggins: „Hoeveel mensen beseffen dat er ook schilderijen van Vermeer zijn die handelen over het verkopen van seks?”

Toch komt zijn plan om The Hoerengracht aan de oude Nederlandse meesters te koppelen niet erg uit de verf. Welgeteld drie doeken (de eerder genoemde doeken van Steen en Schalcken en een werk van Pieter de Hooch) zijn op de tentoonstelling te zien naast de installatie van de Kienholzen. Zelfs Vermeers Klavecimbelspeelster is op haar gewone plek elders in het museum blijven hangen.

Zo krijg je als bezoeker al gauw de indruk dat de Nederlandse meesters als een soort schaamlap dienen om de veel explicietere Hoerengracht naar de National Gallery te krijgen. Onwillekeurig vraag je je dan af of een en ander voortvloeit uit de ambivalente houding, die de Britten nog altijd hebben met seks. Waarom moet The Hoerengracht zo nodig naar The National Gallery? „We houden ervan de bezoekers in verwarring te brengen”, zegt Wiggins glimlachend.

Er zijn evenmin aanwijzingen dat de Kienholzen zelf rechtstreeks beïnvloed waren door zeventiende-eeuwse meesters. Wel wijst de National Gallery erop dat veel eigentijdse kunstenaars zoals Tracey Emin, Damien Hirst en de gebroeders Chapman in hun installatiekunst door het werk van Ed Kienholz (1927-1994) zijn beïnvloed. Het zou uit dat oogpunt echter meer voor de hand hebben gelegen het werk in de Tate Modern te exposeren.

Kienholz, een grote sterke man die eerder als timmerman en verpleger in een psychiatrische inrichting had gewerkt, pakte graag controversiële onderwerpen bij de kop, zoals abortus, de verhouding tussen zwart en blank en de toestand van geesteszieken. Hij deed dat vaak met installaties, een kunstvorm waarvan hij een van de pioniers was.

Met het thema prostitutie had hij zich eerder beziggehouden. De inmiddels legendarische installatie Roxy’s (1961), geïnspireerd door een bezoek als jongen van zeventien aan een bordeel voor militairen in Las Vegas, is op dit moment te zien in de Berlijnse El Sour Dog Hex Gallery. Het werk is minder realistisch dan The Hoerengracht maar, wellicht daardoor, in veel opzichten indringender.

De huidige eigenaar van Roxy’s, de Berlijnse handelaar in onroerend goed Reinhard Onnasch, herinnert zich nog hoe hij van de kook raakte, toen hij dit werk eind jaren zestig voor het eerst zag. „Ik kon er nachtenlang niet van slapen”, zegt hij, gezeten in een fauteuil in de installatie.

Het bordeel zelf is natuurgetrouw nagebootst met keurige tapijtjes op de vloer en nette fauteuils en sofa’s en een ouderwetse jukebox. Mannen zijn er niet te zien. Alleen een militair jasje op een hanger bij de deur herinnert eraan dat alles hier om de bevrediging van mannelijke lusten draait.

De vrouwelijke figuren zijn echter volkomen surrealistisch. Bij de deur staat de bordeelhoudster, een groteske gestalte met een enorme dierenschedel. Op een naaimachine ligt een gelig vrouwenlichaam uitgestrekt, dat ritmisch kan bewegen op de cadans van de machine. Uit haar borst springt een eekhoorntje. In een andere vrouwelijke gestalte kan via een gleuf geld worden gegooid. En in de hoek, bij een opmaaktafeltje, roteert een luguber vrouwenhoofd, dat met bruine verfstrepen is besmeurd.

Het is een wrang werk vol zwarte humor van een type waarmee Kienholz in de jaren zestig furore maakte in Californië. Veel meer dan uit The Hoerengracht spreekt uit Roxy’s een gekwelde verhouding met betaalde seks, een zekere radeloosheid ook. Bovendien blijf je in The Hoerengracht als bezoeker op straat en zit je er niet, zoals bij Roxy’s, middenin.

Eds weduwe Nancy (66) – ze was zijn vijfde vrouw – meent dat Ed door de jaren heen anders over prostituees ging denken. „Mijn theorie is”, vertelt ze in Berlijn, waar ze de helft van het jaar woont, „dat Ed als jonge vent van afschuw vervuld raakte toen hij werd meegenomen naar een bordeel, waar de vrouwen ouder waren dan hij. Toen hij in de jaren tachtig de prostituees in Amsterdam zag, bevielen die hem beter, omdat hij toen zelf rijper was en de meisjes jonger.”

Vijf jaar lang bezochten Ed en Nancy periodiek de Amsterdamse rosse buurt en maakten er – tegen betaling – foto’s van de interieurs. Op rommelmarkten, in Amsterdam en in Berlijn, zochten ze naar geschikte attributen voor het werk. Intussen maakten ze afgietsels van de lichamen van bevriende vrouwen in Berlijn. Voor de hoofden gebruikten ze etalagepoppen met pruiken. De hoofden zijn bovendien voorzien van doorzichtige dozen, die zijn opengeklapt. Deze koekblikken, zoals Nancy ze noemt, zijn bedoeld om de scheiding tussen lichaam en geest voor de meisjes te accentueren. Klanten kunnen hun lichaam kopen maar niet hun hart en ziel.

De kamertjes zijn zo levensecht mogelijk ingericht met oude wastafels, beduimelde handdoekjes en asbakken met sigarettenpeuken. Eén vrouw, door de Kienholzen Mary Ann gedoopt, leest een Story. Op de omslag is nog te lezen ‘Ron Brandsteder moet zijn Yvonne alleen laten’.

Nancy maakt er geen geheim van dat het idee voor The Hoerengracht uitging van Ed: „Hij was degene die meer tijd wilde doorbrengen met hoeren.” Wat hem naar eigen zeggen fascineerde was niet de verhouding man-vrouw of het fenomeen van betaalde seks maar het speciale licht in de rosse buurt. Velen in zijn omgeving, ook Nancy, namen dat met een korrel zout.

Nancy zelf stelt zich pragmatisch op tegenover prostitutie. „Veel vrouwen in Amsterdam, die wij tegenkwamen, noemden zich sekswerkers. Ze wilden vooral respect. Prostitutie kun je niet uitroeien, net zo min als abortus of drugs. Het zou beter zijn de praktijk overal te legaliseren.”

Door het werken aan The Hoerengracht besefte ze dat prostitutie dichter bij de samenleving staat dan ze had gedacht. Verscheidene vriendinnen, die werden benaderd voor afgietsels van hun lichaam voor het project, zeiden tot haar verbazing spontaan dat ook zij wel eens aan prostitutie hadden gedacht – als „een optie”.

The Hoerengracht is t/m 21 februari te zien in de National Gallery, Londen. Inl: www.nationalgallery.co.uk. Vanaf maart 2010 reist The Hoerengracht door naar het Amsterdams Historisch Museum.