Driewieler met vleugels

De Congolese band Staff Benda Bilili verovert de Europese podia met zijn mengeling van rumba, blues, reggae en funk. De bandleden zijn allemaal gehandicapt maar zien dat niet als een beperking. „De benen zijn naar de mallemoeren, maar de kop werkt.”

Een kleine stoet rolstoelen met zwarte mannen in felrode jacks trekt door het Bella Congrescentrum in Kopenhagen, dit jaar handelsplaats van de internationale wereldmuziekbeurs Womex. Grijnzend van oor tot oor laveren ze behendig langs de lange lanen met stands waar de wereldmuziekindustrie haar waar aanbiedt en heffen links en rechts blij duim of vuist in de lucht. Staff Benda Bilili, een Congolese band van door kinderverlamming getroffen straatmuzikanten, ex-sjacheraars en een door hen geadopteerd zwerfkind, komen in de Deense hoofdstad de Womex Award 2009 in ontvangst nemen.

Ik had ze ronkend op hun gemotoriseerde driewielers zien komen aanrijden. De motorduivels zoals ik ze van de promobeelden ken, lijken ontheemd in de ziekenfondskarretjes. De groep krijgt de prijs voor zijn muziek, een mengeling van traditionele rumba of soukous, blues, reggae en funk, die, aldus directeur Gerald Seligman, „na de zware jaren die Congo achter de rug heeft, een geweldige wederkeer betekent van haar sterke muziektraditie die internationaal en in Afrika zelf zo toonaangevend was”, maar vooral „vanwege hun opzienbarende levensverhaal, geest en veerkracht”.

Een trofee voor levenswerk dus. Voor het overleven als gehandicapte in downtown Kinshasa. De muziek diende als wapen in de door oorlog en plundering geteisterde stad van 7,5 miljoen inwoners met meer dan 400 verschillende bevolkingsgroepen – een sociale hogedrukpan, waar het recht van de sterkste geldt.

„Staff, dat is Darwin”, zegt cineast Florent de la Tullaye. „Een zwak organisme redt het niet in die stadsjungle.” Samen met partner Renaud Barret hoorde hij de band in 2004 op een nacht toevallig buiten een chique restaurant voor ex-pats spelen, tijdens het draaien van hun documentaire Jupiter’s Dance. De Franse filmmakers, die diep in het broeinest van ritmes van Kinshasa doken, raakten zo onder de indruk van hun muzikale ambitie en doorzettingsvermogen dat ter plekke een nieuw filmplan ontstond. Uiteindelijk volgden ze de groep vijf jaar en beloofden: „Op een dag staan jullie in Europa.” In de tussentijd coachten ze de band, pitchten ze hun muziek met teaserfilmpjes op YouTube en vonden ze een platendeal bij het Belgische label Crammed. Geen gouden bergen dus. De Staff maakt nu de eerste grote Europese tournee en in maart 2010 komt de documentaire uit. Benda Bilili gaat hij heten, ‘schiet het plaatje af’ in het Lingala. Vrij vertaald: kijk verder dan de buitenkant.

Tien jaar nadat de eerste Womex-prijs in 1999 werd uitgereikt, aan de Cubaanse musicus Juan de Marcos en World Circuit producer Nick Gold voor de glorieuze comeback van de Cubaanse son met de Buena Vista Social Club, heeft de wereldmuziek er een nieuw knuffeldier bij. Het woord is aan een weerbaar zwart collectief van gehandicapte muzikanten uit Congo. Eerder dit jaar werden er op de wereldmuziekpodia bescheidener triomfen gevierd door de blinde Aboriginal singer-songwriter Gurrumul, en het eveneens blinde Malinese duo Amadou & Mariam.

Willen we dit wereldmuzieksprookje niet te graag geloven? Gaat dit nog wel over muziek of is het balsem voor onze westerse ziel? Ook een neokoloniale kronkel zit me dwars. „Womex is zo wit”, hoorde ik een Nederlandse programmeur bij een speeddate grappen tegen een van de weinige zwarte collega’s op de beurs. „Het gaat over een Franse agent die een Afrikaanse groep aan een Duits theater probeert te verkopen.”

Maar die reserves laat ik in één klap varen wanneer Staff Benda Bilili, tijdens het Womex- slotgala waar de band zijn prijs krijgt uitgereikt, het eerste nummer inzet. Het is niet te vergelijken met wat ik op het net verschenen album Très Très Fort hoor. Live is het super, supersterk. Het gaat hier over iets anders. Over energie. Levensdrift die overdondert en verleidt. Het ritme van een continent. Waarvan de basis getoverd wordt uit een drumkit die een bric-à-brac is van stukjes hout, bamboe en oud ijzer. Staff Benda Bilili is het plezier van muziek door je lijf voelen stromen en je er zonder meer aan over te geven. Het samenspel van lichaam en geest in één kortstondig totaalmoment, hier en nu. Dansen heet het.

Ik deed het veel, doe het te weinig. De onlangs overleden Claude Lévi-Strauss beschreef deze totaalervaring als „een exaltatie van volledige vervulling, dat een groot gevoel van dankbaarheid geeft”. Ik zie het in de gezichten om me heen. Ik spring op uit mijn stoel en met mij de halve zaal. Zelfs de breakdance-zonder-benen-act van zanger Djunana Tanga-Suele die zich vanuit zijn rolstoel dansend op zijn onderlijf op toneel laat vallen is niet zo pijnlijk als ik vreesde, bij het zien van de lol waarmee hij het doet.

„De muziek beleeft zich in mij”, schreef Levi-Strauss. „Ik beluister mezelf door haar heen.” Dans en ken uzelf.

‘On entre OK, on sort KO’. Ofwel: je komt OK binnen en je staat KO weer buiten. Het was het devies dat de in 1989 overleden Franco, godfather van de Congolese Rumba, meegaf aan zijn TPOK Jazz, zijn Tout Puissant – oppermachtige – Kinshasa Jazzorkest. Bij de Staff Benda Bilili voel je eenzelfde slagkracht. Het nummer Moziki is met zijn swingend verweven gitaarlijnen duidelijk schatplichtig aan ‘gitaartovenaar’ Franco die vanaf de jaren zestig Afro-Cubaanse en Congolese ritmes met elkaar liet versmelten. Franco vertaalde de Cubaanse pianosolo’s naar de elektrische gitaar tot een hypnotiserende beat die de hele wereld veroverde.

Staff Benda Bilili heeft nog één extra troef, één extra snaar die betovert. Puntig en fel klinkt ze door de melodie van de andere twee gitaren heen. Hoog en bij vlagen zo vals dat het een aard heeft. Maar ze zorgt voor een swingend contrapunt. De dissonant wordt plukkend en met enorme flair gespeeld door het jongste bandlid, Roger Landu (18), op zijn zelf geknutselde éénsnarig harpje, de satongue. Het instrument bestaat uit een stukje elektriciteitsdraad gespannen tussen een boogje satonguehout en een conservenblikje.

„Roger hebben we met zijn instrument van de straat gehaald toen hij twaalf was”, vertelt Ricky Libaku (59), oprichter en spil van de band, kleermaker, monteur en sigarettenverkoper. „Hij was een shegue, zwerfkind. We hebben hem onder onze hoede genomen en opgeleid in de muziek.” Shegue is een verbastering van Che Guevara, die in 1965 aan de zijde vocht van Laurent Kabila, de vader van de huidige president Joseph Kabila. De naam shegue verwijst naar de guerrillalook van ex-kindsoldaten die door de Congolese hoofdstad struinen. Ricky Libaku is trots op Roger en zijn uitvinding. „Het is eigenlijk een soort van pijl en boog, een wapen, maar Roger heeft er bij ons een Afrikaanse gitaar van gemaakt.”

Het logo van de band is een driewieler met vleugels geflankeerd door twee gitaren die als sterren in de lucht hangen. Nu ligt Europa bijkans aan hun voeten. Hadden ze deze vlucht voorzien, gedroomd? „C’etait catastrophique”, herinnert Libaku zijn eerste Europese voorproefje vorig jaar in Frankrijk. Rampzalig? Dat is slang voor ‘totaal geweldig’, schiet Vincent Kenis te hulp, de producer die met zijn mobiele opnamestudio naar de repetitieruimte van de band reisde, een open plek bij de dierentuin van Kinshasa.

Het album Très Très Fort werd buiten opgenomen met een dozijn microfoons, een laptop en 100 meter kabels die illegaal werden aangesloten bij een bar in de buurt. Hier en daar kwaakt er op de cd op de achtergrond een pad mee. Libaku: „Toen we onze cd hadden opgenomen, wist ik wel zeker dat we op een dag in Europa zouden belanden. We speelden eigenlijk altijd al voor les blancs in Kinshasa, het waren vooral de blanken die naar ons kwamen luisteren. Dat komt doordat we musique internationale maken, daar houden ze van. Vroeger speelden we wel musique typique, zoals Ndombolo (Congolese popvariant van de soukous, EvdN). Maar we kregen vaak te horen: ‘Jullie invaliden, komen daar met krukken aanzetten, kunnen niet dansen, komen altijd te laat.’ Dus toen zijn we internationale muziek gaan maken. We mengen James Brown, Bob Marley, onze grote helden met onze eigen Franco en Tabu Ley Rochereau. Dat is onze sound.”

Is hij niet bang dat het imago als gehandicapten bij hun ontvangst hier de overhand zal hebben over de muziek? Libaku, gedecideerd: „Ah non, les membres, c’est foutu, mais la tête travaille.” Hij drukt zijn Dolce&Gabbana-zonnebril stevig bovenop de witte gebreide muts. „De benen zijn naar de mallemoer, maar de kop werkt. Wat koop je voor medelijden? Dat heb ik gisteren nog gezegd in een tehuis voor gehandicapten hier in Kopenhagen waar we speelden. Je moet niet bij je invaliditeit gaan neerzitten, maar de handen uit de mouwen steken. Gehandicapten moeten werken. Dat maakt je sterk.

„Vroeger verdienden we ons brood met onze mobiele winkeltjes op onze driewielers op de veerboot tussen Kinshasa en Brazzaville. Dat was een lucratief handeltje, want Mobutu had ons gehandicapten vrijgesteld van uitvoerbelasting. We smokkelden ook wel eens wat. En nu verdienen we ons geld als muzikanten hier in Europa.”

Met het geld dat ze gaan verdienen wil Libaku in de toekomst een centrum laten bouwen voor de shegues. „Een groot huis met vier, vijf, zes verdiepingen, met werkruimtes waar ze een beroep kunnen leren, zoals kleermaker. En met een podium, instrumenten, zodat we ze ook in de muziek kunnen opleiden. Dat is Staff Benda Bilili.” De groep eromheen valt onmiddellijk in koor met de strijdkreet in: ‘Très, très fort.’

De teksten van Staff Benda Bilili gaan over slapen op karton, over de zwarte man die vis uit de diepvries eet of rijst toegeworpen krijgt als een vogeltje in het nest. De muziekgroep spoort ouders aan hun kinderen in te enten tegen polio en stelt zijn eigen lot ter voorbeeld. „Ja, we willen de mensen wakker schudden”, zegt Libaku. „Met onze muziek een boodschap sturen. Bijvoorbeeld: wij zwarten hebben hier goud, diamant, kobalt, zoveel delfstoffen, rivieren vol vis, maar we weten niet hoe we onze rijkdommen moeten exploiteren. We willen de mensen de ogen openen.” Maar, voegt hij er snel aan toe, „we doen niet aan politiek, hoor. Onze nieuwe president is orde op zaken aan het stellen, het land aan het opbouwen. Hij steekt de handen uit de mouwen. Kabila is de Cinq Chantiers. Bij ons wordt het net zoals bij jullie, rustig en met goede wegen.”

De Congolese president beloofde bij zijn aantreden in 2006 het land op vijf ‘bouwterreinen’ aan te pakken: infrastructuur, werkgelegenheid, onderwijs, water en elektriciteit en gezondheid. Er is nog weinig van terechtgekomen, meent Florent de la Tullaye. „Maar wat wil je, het land komt net uit een oorlog. Wat je Kabila kan meegeven, is dat hij de eenheid in het land heeft bewaard en Congo niet uiteen is gevallen in een oost en west.” Hij begrijpt Ricky Libaku wel. „Congolezen zijn nogal lichtgeraakt waar het de politiek aangaat, hij wil geen gedonder als hij terugkomt.” En, lacht hij, „vergeet niet dat als je een ster bent in Congo, of een voetballer, de president je nog wel eens een huis wil geven, of een auto.’

Speciale driewielerpaden voor gehandicapte musici zou ik de president voor zijn infrastructuurplan willen aanbevelen. In Kin la Belle (de schone) of Kin la Poubelle (de afvalbak), zoals Kinshasa wel spottend genoemd wordt, weet Staff Benda Bilili aan de onveranderlijkheid van de fysieke en materiële gebreken van alledag te ontstijgen. Ze tekenden zichzelf vleugels en geloofden erin. Hiervoor kunnen ze een constante bron van goud in hun geschiedenis aanboren: muziek. Het ritme in het Afrikaanse lijf is een onvervreemdbare rijkdom. Wij kunnen eruit putten, lenen, jatten, erop meedeinen, springen, hopsen, maar voor de rest hebben we het toekijken.

Staff Benda Bilili treedt op 28 november op in RASA Utrecht en tijdens het Contrabanda! Festival, Bimhuis Amsterdam op 29 november.Benda Bilili, de film: www.myspace.com/bellekinoise