Dingachtig

Mijn Duitse vriend en zijn vader kijken naar een oorlogsfilm terwijl ik aan de keukentafel zit te schrijven. Vliegtuigen storten neer in de woonkamer, een luchtalarm schalt door de keuken en er staan jammerende vrouwen in de hal. Ons huis is een geweldige klankkast. De mannen op de bank vroegen me eerder op te houden met pannen in de kast te ruimen, omdat ze anders de spelers van Bayern München, die tegen Leverkusen streden, niet goed konden horen schieten. „Het is Van Gaals laatste kans!” hadden ze gedreigd.

„Waarom is Van Gaal zo slecht voor Bayern München?” vroeg ik.

„Ze winnen niet”, klonk het.

Het werd 1-1.

Er rijdt een tank door de woonkamer die blind op alles schiet. Glaswerk gaat aan diggelen, muren worden omvergeblazen. Ik houd mijn handen tegen de oren en herinner me een stukje uit De oorsprong van het kunstwerk van Heidegger. In zijn zoektocht naar ‘het dingachtige van het ding’, een soort kern die hij in elk ding veronderstelt, merkt hij op dat we niet in staat zijn geluid als geluid waar te nemen; we vullen elk geluid in met een ervaring of een herinnering.

Ik herlees: ‘We horen de storm huilen in de schoorsteen, we horen het driemotorige vliegtuig, we horen de Mercedes en horen meteen dat het geen Volkswagen is. De dingen zelf zijn ons veel nabijer dan alle gewaarwordingen. We horen in huis een deur slaan en horen nooit akoestische gewaarwordingen of alleen maar geluiden. Om een zuiver geluid te horen, moeten we als het ware van de dingen weg luisteren, ons oor ervan afwenden, dat wil zeggen abstract luisteren.’

Ik probeer abstract te luisteren. Het driemotorige gevechtsvliegtuig dat op mij afkomt, bestaat uit niets dan luchtdeeltjes die zijn samengeperst en botsen met deeltjes in hun omgeving. Geweerschoten zijn trillingen die toevallig mijn oor bereiken.

Heidegger besluipt zijn ongrijpbare onderwerp van alle kanten. Het is meeslepend en soms tenenkrommend om er getuige van te zijn hoe een schrijver de werkelijkheid naar zijn verlangen ombuigt. Hij blijft volhouden dat het dingachtige bestaat.

Hij probeert boerenschoenen op een Van Gogh te zien voor wat ze zijn: ‘Een paar boerenschoenen en verder niets’. Hij had de dingen misschien beter tot klodders verf kunnen reduceren, want al gauw gaan de schoenen een eigen leven leiden: ‘En toch... Uit de donkere opening van het uitgetrapte binnenste van het schoeisel staart het afmattende van het altijd maar werken. In het onverslijtbaar degelijke van deze zware schoenen ligt de taaie volharding opgehoopt van de langzame tred door de langgerekte en altijd eendere voren van de akker waar een gure wind op staat. Aan het leer kleeft het vochtige en vette van de grond. Onder de zolen verglijdt de eenzaamheid van de landweg in de schemeravond.’

Ik houd op met lezen. En ik houd op met abstract luisteren. Ik duik onder de tafel om aan een bommenwerper te ontkomen. Ik neem me voor om naar Keulen te gaan. Achter de Dom – een van de weinige gebouwen in deze stad die in de oorlog niet zijn verwoest – ligt een plein. Rond dit plein staan mannen en vrouwen in uniform. Ze bewaken de stilte, wanneer er in de zaal die eronder ligt, een concert wordt gegeven.

Met kalme gebaren geven de stiltewachters de contouren aan van de ondergrondse ruimte. Ze geven gestalte aan een stiltezaal, die midden op het plein verrijst.