De Peking Express

Het bezoek van Barack Obama aan Azië is goeddeels onopgemerkt gebleven. In de Verenigde Staten overschaduwde Sarah Palin met de publicatie van haar boek Going Rogue en haar optreden bij televisiediva Oprah Winfrey met gemak het presidentiële uitstapje. In China blokkeerden de autoriteiten effectief het internet, zodat van de strak geregisseerde town hall meeting van Obama met Chinese studenten slechts weinigen kennis konden nemen. Alleen in de omgeving van Shanghai werd het evenement op de lokale televisie uitgezonden. De gezamenlijke persconferentie van beide presidenten, die wel weer rechtstreeks via de Chinese staatstelevisie was te volgen, beperkte zich tot het voorlezen van vooraf opgestelde verklaringen.

Het strijdveld tussen de VS en China betrof, anders dan bij eerdere presidentiële bezoeken, ook niet het mensenrechtendossier. Om de Chinese gastheer niet te ontrieven had Barack Obama in oktober al geweigerd om de dalai lama te ontmoeten. Tijdens zijn bezoek benadrukte de president slechts het belang van gendergelijkheid, alsof dat het belangrijkste mensenrechtenvraagstuk in China is (het land neemt de zestigste plaats in op de ranglijst in het Gender Gap Report van het World Economic Forum, maar de VS komen niet verder dan de dertigste plaats). China had ook geen aanleiding gezien om, zoals te doen gebruikelijk, voorafgaande aan het bezoek van de Amerikaanse president een handvol dissidenten vrij te laten.

In plaats van mensenrechten gaf Obama er de voorkeur aan om de wisselkoers van de renminbi aan de orde stellen. Doordat China de renminbi niet laat appreciëren, maar effectief koppelt aan de dalende Amerikaanse dollar, verschaft het land met de meeste werknemers van de hele wereld zichzelf een concurrentievoordeel. China subsidieert de industrie verder met kunstmatig laaggehouden grond- en energieprijzen en steelt zo de broodnodige banen van Amerikanen en Europeanen. Niet alleen het Westen maar ook andere opkomende economieën ondervinden last van China’s deels kunstmatige concurrentiekracht.

De Chinezen op hun beurt veinsden verongelijktheid over het ‘losse’ monetaire beleid van’s werelds grootste economie. Het Amerikaanse stelsel van centrale banken, de Federal Reserve, heeft het officiële rentetarief in december 2008 verlaagd tot een kwart procent. Uit verklaringen van het Federal Open Market Committee (FOMC) en uitspraken van centralebankpresident Ben Bernanke valt op te maken dat de rente nog geruime tijd zo buitengewoon laag zal blijven. Gelet op het prijspeil (neigend naar deflatie) en de economische groei in de VS zou de rente volgens de Taylor-rule, een vuistregel voor monetair beleid, zelfs minus zes procent moeten bedragen.

Volgens Liu Mingkang, China’s belangrijkste toezichthouder voor de bancaire sector, vormen de ultralage Amerikaanse rente en de depreciërende dollar onoverkomelijke risico’s de wereldeconomie. Beleggers, op zoek naar een hoger rendement, lenen geld in de VS tegen een zeer lage rente. Dat geld wordt vervolgens belegd in aandelen of onroerend goed in opkomende economieën als China, India, Thailand en Brazilië. Investeerders profiteren via deze zogenoemde carry trade niet alleen van het hogere rendement op hun beleggingen in opkomende economieën, maar tevens van een wisselkoersvoordeel als ze hun beleggingen uiteindelijk weer inruilen tegen de dollar.

De opkomende economieën kijken met lede ogen toe. Niet alleen zien ze de eigen munt sterker worden door de influx van buitenlands kapitaal en daarmee hun concurrentiepositie verslechteren, maar evenzeer zien ze speculatieve bubbels ontstaan op de binnenlandse aandelenmarkten en vastgoedmarkten. In het zakendistrict Pudong in Shanghai staat 50 procent van de kantoren leeg, maar er worden nog wel steeds wolkenkrabbers bijgebouwd en de aandelenkoersen zijn sinds maart verdubbeld.

Just returning the favor, denk ík dan. Het spaaroverschot in China zorgde er een paar jaar geleden voor dat de langetermijnrente in de VS lager bleef dan je op grond van de kortetermijnrente en de groei van de Amerikaanse economie mocht verwachten. Die lage rente wakkerde in 2005 en 2006 de speculatieve bubbel op de Amerikaanse huizenmarkt aan met alle gevolgen van dien. Destijds waren het centralebankpresident Alan Greenspan en zijn opvolger Ben Bernanke die machteloos toekeken.

Ook als de binnenlandse consumptie in China toeneemt en de vraag naar Westerse producten stijgt (in Peking openen grote Europese en Amerikaanse modehuizen bijna dagelijks een nieuwe flagship store), dan is het nog niet evident dat de VS daarvan zullen profiteren in termen van werkgelegenheid. Alles wordt nu toch al in Azië geproduceerd. Zelfs een beginnende academicus verdient in China maar 1500 tot 2500 renminbi per maand (150 tot 250 euro), nauwelijks meer dan een fabrieksarbeider. President Obama realiseerde zich dat kennelijk ook en benadrukte tijdens zijn bezoek dat de VS vooral technologie zouden exporteren.

Maar daar knelt het nu juist. De afgelopen tien jaar hebben de VS nauwelijks iets gepresteerd op het gebied van technologische ontwikkeling, althans buiten financiële innovatie: credit default swaps en colletarized debt obligations. De opgeblazen Amerikaanse financiële sector met zijn al even opgeblazen bonussen vormt een braindrain voor alle andere sectoren. Daarom staan de kranten nu vol met berichten over carry trade in plaats van met nieuwe Amerikaanse vindingen op het gebied van voedsel-, milieu- en geneesmiddelentechnologie (middelen tegen erectiestoornis daargelaten) waar beleggers in zouden kunnen investeren.

Terwijl China de derivatenhandel na de crisis meteen aan banden heeft gelegd, steggelen de Westerse landen nog met elkaar over herziening van het financiële toezicht. De regering-Obama wil de financiële sector zo min mogelijk beperkingen opleggen. Alsof daar de heilige graal verborgen ligt.

Wilt u reageren? Dat kan op nrc.nl/mees (Reacties worden openbaar na beoordeling door de redactie.)