De Forrest Gump van de Hoge Middeleeuwen

Diep in ons collectieve bewustzijn zwerft hij rond: de superschutter, de man die de armen helpt en de rijken op hun nummer zet. Hij heet Sjako of Cartouche, Jan de Lichte of Fra Diavolo, maar zijn stamvader is Robin Hood. In de Britse Midlands is de ‘green-clad outlaw’ nog alomtegenwoordig.

‘For Robin Hood, follow the M18,’ zegt het bord langs de snelweg. Het gestileerde vliegtuigje naast de letters maakt duidelijk dat het hier gaat om de naam van een vliegveld. Maar op dit punt in Midden-Engeland, waar de A1 de M18 kruist, heeft de aanwijzing ook een andere betekenis. De reiziger betreedt hier het heartland van Robin Hood, de bandiet die in de Middeleeuwen de bossen tussen York en Nottingham onveilig maakte, en die een onaantastbare reputatie verwierf als de man die geld stal van de rijken om het aan de armen te geven. Wie de snelweg verlaat en afzakt naar het zuiden, stuit op een onafzienbare hoeveelheid plaatsen die met de legendarische boogschutter geassocieerd worden, van dorpjes en grotten tot bronnen en bossen. Om maar niet te spreken van de pubs en de souvenirshops die een graantje van Robin Hoods populariteit proberen mee te pikken.

‘Volg het spoor van Robin Hood en zijn Merry Men’, schreeuwen de bordjes, de routes, de reisgidsen. Híer vocht de ‘green-clad outlaw’ op een smal bruggetje met Little John, de krachtpatser die zijn trouwste bondgenoot zou worden. Dáár sloot hij vriendschap met de gevallen monnik Friar Tuck, nadat ze elkaar bij wijze van test op hun rug over de rivier hadden gedragen. Op deze open plek in het bos ontmoette hij koning Richard Leeuwenhart, die in vermomming was teruggekeerd van de Derde Kruistocht. En in ginds kasteel blies de voormalige regent-koning Jan zonder Land, Robins eeuwige vijand, zijn laatste adem uit.

Robin Hood is een industrie in de Britse Midlands, die al lang niet meer zo groen zijn als in de tijd dat de gemiddelde boef zich veilig kon verbergen in de uitgestrekte koninklijke domeinen. En alleen een kniesoor zal opmerken dat in de toeristengidsjes verschillende Robin Hoods door elkaar worden gehusseld. Rondom Nottingham eert men de vrijheidsheld zoals die uit de meeste 15de- eeuwse ballades bekend is: een tijdgenoot van de koningen uit het huis Plantagenet die het de corrupte geestelijkheid en dito adel moeilijk maakte, en die rond 1194 een rol speelde in de machtsstrijd tussen Richard I en zijn trouweloze broer Jan. Boven Sheffield, bij het plaatsje Locksley, houdt men vast aan de Robin Hood die in de 16de eeuw werd ‘uitgevonden’ en die we vooral kennen uit de beroemdste bewerking van zijn mythe: Ivanhoe (1819) van Walter Scott: een edelman die door de trawanten van Jan zonder Land verdreven wordt uit zijn kasteel en wraak neemt op zijn vijanden. En op diverse andere plaatsen wordt de steevast in het groen geklede bosbewoner gelijkgesteld met de Green Man, een van oorsprong heidense natuurgod die in veel culturen opduikt maar die in het voormalig Keltische Brittannië een constante in de folklore is .

Eén plaats komt in bijna alle verhalen en varianten terug: Sherwood Forest, het koninklijk domein dat in de Middeleeuwen bijna eenvijfde van het graafschap Nottingham besloeg. Het machtige eikenbos, aangeduid als the greenwood, moet voor Robin en zijn mannen een perfecte bescherming zijn geweest, en bovendien een rijkgevulde provisiekast – met fruit om te plukken, wortels om op te graven, reizigers om uit te schudden en vooral wild om te stropen. Sherwood wordt dan ook met name genoemd in een van de oudste literaire verwijzingen naar Robin Hood, een rijmpje in de marge van een Latijns manuscript uit de boekenverzameling van de kathedraal van Lincoln (anno 1401):

‘Robyn hod in scherewod stod

hodud and hathud hosut and schold

ffour and thuynti arowes

he bar in hit hondus’

(‘Robin Hood stond in Sherwood:

gehoed en gehaat, gehoosd en geschoeid

vierentwintig pijlen

droeg hij in zijn handen’)

Standplaats Sherwood dus – al zijn er vele verwijzingen in de bronnen naar ‘Robert Hoods’, ‘Robynhods’ en ‘Hobbehods’ die in andere streken van Engeland actief waren. Zo is er een oude Schotse kroniek waarin bij het jaar 1283 vermeld staat dat ‘Litil Iohun and Robert Hude’ populaire vogelvrijen waren in het boven Sheffield gelegen bos van Barnisdale. Een andere plaats dus, en ook een andere tijd, bijna een eeuw later, tijdens de regering van koning Edward Longshanks. Is het verwonderlijk dat er onder professoren fel gediscussieerd is over de vraag of er wel een Robin Hood bestaan heeft? Dat sommigen zelfs begonnen te denken dat zijn naam een soort algemene term was voor een vogelvrijverklaarde. Dat men niets met zekerheid durfde te zeggen over zijn historiciteit?

Tot begin dit jaar dan. Toen publiceerde een Engelse historicus 23 Latijnse woorden die hij gevonden had in een Engelse wereldkroniek in de bibliotheek van Eton College. Ze waren bijgeschreven op een pagina met aantekeningen over de jaren 1290-1300. ‘Rond deze tijd’, zo luidde de vertaling in het nieuwsbericht uit nrc.next (‘Schurk in maillot’, 20.11.09), ‘teisterde een zekere vogelvrijverklaarde, die Robin Hood werd genoemd, met zijn handlangers Sherwood en andere wetsgetrouwe gebieden door voortdurende roverijen.’ De bron was hoogst betrouwbaar, meldde de krant op gezag van The Journal of Medieval History. ‘Robin Hood bestond echt en hij leefde in Sherwood Forest. Maar niet in de tijd van Richard Leeuwenhart, en hij was gewoon een roverhoofdman. Geen held.’

Ik zal niet de enige zijn geweest die bij die laatste twee woorden even moest slikken. De goedertieren bandiet, die de verdrukten helpt en de machtigen op hun nummer zet, heeft een ereplaatsje in ons collectieve bewustzijn. In iedere cultuur heb je er wel een, bestaand of verzonnen, of het nu Cartouche is in Frankrijk, Fra Diavolo in Napels, Zorro in Californië, Jan de Lichte in Vlaanderen of Sjako in de Amsterdamse Jordaan. Allemaal zijn het social bandits die generaties filmers, schrijvers en componisten hebben geïnspireerd; maar geen van hen is zo beroemd als Robin Hood. Als zijn naam geen soortnaam was in de Middeleeuwen, dan is hij het in elk geval in onze tijd. Je komt ‘moderne Robin Hoeden’ nog dagelijks in de kranten en in het taalgebruik tegen, net als alle varianten daarop. Zo was Dirk Scheringa de omgekeerde Robin Hood, die de armen geld ontfutselde om het aan de rijken – kunstenaars, voetballers, bankdirecteuren – uit te delen.

Alle sporen van ‘the King of Outlaws and prince of good fellows’, zoals Walter Scott hem noemde, voeren naar Sherwood; maar eerst naar Nottingham, de zetel van de notoire Sheriff (schout) met wie Robin Hood het volgens beroemde ballades als ‘A Gest of Robyn Hode’ (late 14de eeuw) en ‘Roben Hode and the Potter’ (circa 1500) voortdurend aan de stok had. Van de oude, Angelsaksische en later Normandische stad die Robin Hood al dan niet incognito bezocht, is niet veel over. Het centrum is een gezellig rommeltje met resten uit het kant- en textielverleden en af en toe een modern gebouw of een drukke doorgangsweg om het pittoreske te breken. Het meest drastisch gebeurt dat op Maid Marian Way, genoemd naar Robins geliefde, waar tussen de kantoorflats en jarenzestighotels ook een betonnen kolos staat met grote letters TALES OF ROBIN HOOD. Tot voor kort kon je hier in een karretje door een nagebouwd Sherwood rijden, met geur- en geluidseffecten, inclusief een boogschutterswedstrijd en een valkenjacht. Maar nu is het attractieparkje failliet en hangt de banier met Medieval Banqueting! er troosteloos bij.

Gelukkig is het kasteel wél open, en getooid met een frisgroen spandoek waarop Robin Hood en zijn pijl-en-boog fungeren als het beeldmerk van ‘Nottingham’s bid’ voor het WK voetbal 2018. Maar voordat ik door de 13de-eeuwse Castle Gatehouse het kasteelterrein oploop, zie ik aan de voet van de imposante muren de groene boogschutter zelf staan: in brons, en klaar om te schieten. De kraaien trekken zich niets van hem aan; die scharrelen tussen de opwaaiende herfstbladeren en voor de stenen plaquettes aan de muur waarop hoogtepunten uit de legendes van Robin Hood zijn uitgehouwen.

Binnen de muren van het kasteel, waar ooit de schout van Nottingham als plaatsvervanger van de koning resideerde (en volgens de Disneyfilm uit 1973 zijn snode belastingplannen uitbroedde), schittert Robin Hood door afwezigheid. Begrijpelijk, en niet alleen omdat hij er vroeger ook niet welkom was. Het kasteel, dat eigenlijk een rechthoekig renaissancepaleis is, werd in de 17de eeuw gebouwd door de hertogen van Newcastle, en heeft afgezien van wat stukjes poort en brug niets middeleeuws meer. Ja, de gangen en holen die vanaf de laat-Romeinse tijd in de zandstenen heuvel eronder werden uitgehakt. Je kunt er met een gids doorheen, te beginnen in de oude wijnkelders en vergeetputten van het kasteel om daarna sterk af te dalen naar de voet van de heuvel, waar eens de hofbrouwerij stond.

De ruime gang naar beneden, die bijna honderd meter lang door de zandsteen kronkelt, dateert uit de 14de eeuw. De gids doet geen moeite om hem in verband te brengen met Robin Hood. Maar als we aan het einde zijn gekomen, raadt ze me aan om iets te drinken in de half in de rots gebouwde ‘oudste pub van Engeland’. Hij heet Ye Olde Trip to Jerusalem en dankt zijn naam en reputatie aan het feit dat Richard I hier zijn laatste pint nam voordat hij naar het Heilige Land vertrok. Eigenaardig, want Nottingham is geen havenplaats. Maar hoe dan ook: Richard liet zijn broer achter als regent; Jan luisterde naar slechte vrienden, haalde zich de gramschap van Robin van Locksley op de hals, en de rest is geschiedenis, of liever: legende, als we de Hoodologen mogen geloven.

De volgende dag reis ik naar Sherwood Forest – vanuit het schilderachtige Lincoln, dat met zijn kathedraal, bebouwde brug en oude straatjes een idee geeft hoe de grotere steden er in de tijd van Robin Hood uit moeten hebben gezien. Lincoln is de plaats waar de weverijen stonden voor het vermaarde Lincoln green, dat geliefd was bij boswachters en vogelvrijen omdat het je zo goed camoufleerde; maar de stadsbewoners doen geen moeite om de Hood-connectie uit te buiten. Ze hebben genoeg aan hun Romeinse verleden, hun gotische kerk en het in Lincoln Castle bewaarde zeldzame exemplaar van de ‘Magna Carta’, de oorkonde waarmee in 1215 de macht van koning Jan werd beperkt omdat de hoge adel schoon genoeg had van zijn tirannie. Er zijn trouwens verhalen die Robin Hood aanwezig laten zijn bij het tekenen van het verdrag nabij Windsor Castle – als een Forrest Gump van de Hoge Middeleeuwen.

De rivier de Trent vormt de grens tussen Lincolnshire en Nottinghamshire. ‘Welcome to Robin Hood country’ staat er op een bord als je over het piepkleine tolbruggetje van Newton rijdt. De tol is 30 pence, een schijntje vergeleken met de honderden ponden die de groene bandiet zijn rijke slachtoffers afhandig placht te maken. Maar het terrein was er destijds geschikter voor: nu zijn er overal waar je kijkt verkavelde landbouwgronden met hier en daar een stukje bos ter grootte van een krant. Pas als ik een paar wegwijzers Sherwood heb gehad, zie ik iets dat je greenwood zou kunnen noemen: jonge berken, geblakerde eiken, bruin geworden varens. Het is herfst, dus er groeien geen lupines – het belangrijkste rekwisiet in de beste parodie die ooit op de Robin Hood-sage is gemaakt: Monty Pythons Ballad of Dennis Moore, waarin een gemaskerde bandiet lupines steelt van de rijken om ze te geven aan de armen – die bij God niet weten wat ze ermee aanmoeten.

Met de titelsong van de Pythonsketch in mijn hoofd (‘Dennis Moore, Dennis Moore / Riding through the night / Soon every lupin in the land / Will be in his mighty hand’) kom ik aan bij het bezoekerscentrum van het Sherwood Forest National Nature Reserve. Een groot woord voor een enigszins verlopen heksenkring van houten boshutten met een souvenirshop, een natuurtentoonstelling, een boswachtershuis, een wc-blok, een cafetaria en een informatiepaviljoen. Daar draait een video over het bos die wordt gepresenteerd door de Green Man, de groengeschminkte ‘antieke bosgeest’ met wie Robin Hood in zijn achthonderdjarig bestaan vaak is gelijkgesteld. Nog steeds worden er in deze streek jaarlijks Robin-and-Marianfeesten georganiseerd die teruggaan op heidense vruchtbaarheidsrituelen. Alles in het nette natuurlijk, onderstreept de Green Man, die zijn praatje besluit met een pleidooi voor verstandig beheer van de resten van het oude woud: ‘We can all be green men.’ Robin Hood was het immers ook, hij leefde in symbiose met de machtige eiken. Een echte groene held dus, denk ik tevreden. In meer dan één opzicht, want was zijn nivelleringsideaal niet ook een vroege vorm van groen bankieren?

Twee hutten verder wordt voor kinderen de geschiedenis van Robin Hood en Sherwood met veel triplex en drukknoppen tot leven gebracht. Ik leer dat Willem de Veroveraar de naam Forest gaf aan een gebied waar alleen de koning mocht jagen, en dat de gehate forest laws (regel zoveel: pijl-en-boog mag niet gedragen worden) in de eeuwen na hem de figuur Robin Hood extra populair maakten. Maar dan wil ik snel naar de echte attractie van het Nature Reserve: de ‘Major Oak’, een elfhonderdjarige holle boom waarin Robin en zijn mannen geschuild zouden hebben toen de Sheriff van Nottingham achter hen aanzat. De reuzeneik ligt op een boogschot afstand, een minuut of vijf lopen door een parkbos dat zich vooral kenmerkt door bladarme eiken met een zwarte stam. Het lijkt alsof ze stuk voor stuk door de bliksem zijn getroffen, maar een informatiebordje langs het pad geeft tekst en uitleg. Dit zijn de beroemde stag-headed oaks van Sherwood Forest; hol van binnen door een zwaminfectie, lijden ze onder ‘die-back in the upper branches’. Ze kunnen er heel oud mee worden.

Dat laatste blijkt als ik aankom bij de Major Oak, die niet zo heet omdat hij de grootste is, maar omdat hij door ene John Major in de 16de eeuw als schuilplaats van Robin Hood is aangewezen. Hij is tien meter in doorsnee, uitgehold door biefstukzwam, verstevigd met epoxyhars en gestut met tien legergroene palen. Allemaal dingen die ik niet goed kan zien, omdat het grasveld rondom de eik is afgezet. Robin Hoodje spelen in de holle boom, wat generaties toeristen hebben gedaan, is onmogelijk geworden; maar het zicht op de eik, zelfs in de herfst nog goed in het blad, blijft indrukwekkend. Je kunt je voorstellen dat de Vrolijke Gezellen zich under the greenwood tree verborgen en verzamelden. Als ze in Sherwood hebben rondgelopen, kunnen ze deze boom niet gemist hebben.

Er zijn tientallen andere Robin Hood-locaties in Nottinghamshire en Yorkshire. Maar er is er één die ik vanmiddag nog graag wil zien: Kirklees Priory ten noordwesten van Sheffield. Het was in deze abdij dat Robin Hood doodbloedde – niet na een eerlijk gevecht, maar als gevolg van verraad. De bejaarde outlaw had de gewoonte om tweemaal per jaar naar zijn tante in de abdij te gaan om zich te laten aderlaten. Maar deze arts-abdis liet zich letterlijk verleiden door een gezworen vijand van Robin, en zette het mes te lang in zijn aders: ‘And first it bled, the thicke, thicke bloode,’ staat te lezen in ‘The Death of Robin Hood’ (midden 17de eeuw). ‘And afterwards the thinne, / And well then wist good Robin Hoode, / Treason there was within.’ Little John is er te laat bij om zijn oude vriend te helpen en biedt aan om het hele kloostercomplex in de fik te steken. Maar met zijn laatste adem zegt Robin dat hij niet de dood van onschuldigen op zijn geweten wil hebben. Hij heeft een andere laatste wens:

‘Give me my bent bow in my hand,

And a broad arrow I’ll let flee;

And where this arrow is taken up,

There shall my grave digged be.’

Na een late lunch aan de rand van Sherwood (een paar blaadjes sla en strookjes paprika zonder iets erdoorheen – highway robbery!), draai ik de M1 op. Het is een dik uur rijden, maar binnen tien minuten sta ik in een onafzienbare file. Ongeluk tussen Junction 29 en 30 – snelweg afgezet – omleiding via Chesterfield en Sheffield. Geen mogelijkheid om ergens af te slaan. Na twee uur wordt er nog steeds stapvoets gereden en valt de schemering in. Kirklees zal ik niet meer halen. For Robin Hood, don’t follow the M1.

’s Avonds, in een hotel in York – een stad die in de legendes rondom Robin Hood vooral figureert als hoofdkwartier van sommige van zijn ergste vijanden – lees ik in The Robin Hood Handbook wat ik gemist heb. Van de abdij van Kirklees is alleen het poortgebouw nog over, maar dat is vervallen en in privébezit. Hetzelfde geldt voor het graf van Robin Hood, dat op vijfhonderd meter van de abdij ligt (de meesterschutter had in zijn laatste minuten kennelijk nog genoeg kracht om de boog flink te spannen). Tot in de late 18de eeuw lag daar een grafsteen met de tekst ‘Here lie Robert Hude’, maar die is vervangen door een monumentje met een quasimiddeleeuwse tekst waarop de sterfdatum van Robin Hood wordt gesteld op Kerstavond 1247. Onhistorisch en kitscherig, natuurlijk. Beter was de laatste strofe geweest van de laat- 14de-eeuwse ‘Gest of Robyn Hode’:

‘Christus, die doodging aan het kruis,

beware de ziel van Robin Hood,

want hij was een braaf bandiet

en bracht de arme lui veel goeds.’

Voor dit artikel is gebruik gemaakt van Mike Dixon-Kennedy: ‘The Robin Hood Handbook’ (Sutton Publishing, 2006); het Wikipedia-artikel ‘Robin Hood’; en Peter Altena’s Robin Hood-lemma in ‘Van Abélard tot de Zwaanridder’ (SUN, 2008). Dit is (na Uilenspiegel, Leonidas, de Golem, Macbeth, Don Juan, Brandaan, Münchhausen en Wilhelm Tell) de 9de aflevering van een serie over literaire helden met historische wortels. De volgende verschijnt op de laatste vrijdag van januari.