Antonini brengt barok niet tot leven

Klassiek Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Giovanni Antonini, m.m.v. Giuliano Carmignola, viool. Gehoord: 25/11, Concertgebouw, A’dam. Herh. 27 /11. ***

Maar liefst vier eerste uitvoeringen staan er op het barokprogramma van het Concertgebouworkest, maar de componisten zijn bekend: Locatelli, Tartini, Vivaldi en Carl Philipp Emanuel Bach. Ook de Italiaanse blokfluitist en barokdirigent Giovanni Antonini, oprichter van Il Giardino Armonico waarmee Cecilia Bartoli Vivaldi opnam en onlangs haar castratenaria’s uitvoerde, staat deze week voor het eerst voor het orkest.

Vanaf de openingsmaten van de Introduzione teatrale in D, op. 4 nr. 5 van Locatelli, in 1733 in Amsterdam gecomponeerd, sprong en danste Antonini alsof de vloer van hellevuur was gemaakt om de barokke noten ‘authentiek’ tot leven te wekken. De tempo’s lagen extra hoog, contrasten werden zwart-wit uitgelicht en de musici speelden meest non-vibrato op hun ‘moderne’ instrumentarium.

Dat stramien zette zich voort tijdens Tartini’s Vioolconcert in A, DG 96. Solist Giuliano Carmignola opteerde voor een barokstok en een met darmsnaren bespannen Stradivarius, intoneerde structureel vals. Overtuigender klonk hij in Tartini’s Vioolconcert in A, D 96, waarin intonatie en klank sterk verbeterden, zodat ook de articulatie transparanter werd.

In de Symfonie in F, Wq 183 nr. 3 van Carl Philipp Emanuel Bach raakten orkest en dirigent elkaar even kwijt, maar dat viel nauwelijks op. Het publiek deed de avond af met zo weinig applaus dat de barokdirigent niet werd teruggeroepen.

Wat is nu de winst van zo’n ‘authentieke’ avond? Ooit dook Harnoncourt in bibliotheken, bestudeerde hoe barokmuziek werd gespeeld, formuleerde regels en dirigeerde van daaruit met passie en visie. Toen kwamen de epigonen, die niet zelden de ‘authenticiteit’ van hun voorbeeld misten en zich verstrikten in uiterlijkheden en cerebraal effectbejag. Tussen die twee uitersten opereerde barokdirigent Antonini, maar echt iets toevoegen deed hij niet.