Open dag

Driss Tafersiti kwam als jonge Marokkaanse gastarbeider naar Nederland. Hij bleef. Wekelijks feuilleton over zijn belevenissen.

„Misschien moet je eens nadenken over een opleiding op het leao”, zei Jolanda. We lagen op haar bed en staarden naar het plafond. „Wat is een leao?” vroeg ik. „Dat staat voor lager economisch en administratief onderwijs. De toelatingseisen zijn niet al te streng. Dus je maakt een goede kans om er op te komen.”

„Ik naar school? Ik ben al zesentwintig.” „Je zegt toch zelf dat je niet je hele leven lang scholstapelaar wil blijven, dan zul je toch echt ergens moeten beginnen.” Voordat ik nog meer scepsis kon uiten, stond Jolanda op en haalde uit haar bureaula een folder. Ze had dit tot in de puntjes voorbereid. De folder was van de Van Eldenschool, een leao in Haarlem.

„Het gaat zo: je zit eerst een jaar in de internationale schakelklas. Daar leer je nog meer Nederlands en krijg je de vakken Engels en wiskunde. Na dat jaar kom je direct in de laatste klas van het leao en kun je examen doen. Ondertussen kun je blijven werken in de haven, want de hele opleiding volg je in de avonduren.”

Ik was nog niet helemaal overtuigd van het nut van de opleiding, maar wilde Jolanda niet teleurstellen. Toen ze mij vroeg om samen met haar een open dag te bezoeken, hield ik mijn twijfel voor me. Ik zoende haar en zei: „Je bent geweldig.”

De zaterdag daarop deed ik mijn ruitjespak aan; over een uur zouden Jolanda en ik in de bus naar Haarlem zitten, waar we de open dag van de leao zouden bezoeken. Ik nam afscheid van Mustapha en trok de deur open.

„Abe, gelukkig zijn jullie thuis.” Kemal stond voor de deur. Hij was rood aangelopen en hijgde alsof hij honderd keer op en neer over de pier had gerend. „Ik ga trouwen, abe!” „Wat?” bracht ik verbijsterd uit. „Uitleg komt later, abe. Over twee uur moeten jij, Jolanda en Mustapha bij mij thuis zijn. Daar is het trouwfeest. Nu moet ik andere mensen uitnodigen.” Hij sprintte weg. Aan het einde van de galerij draaide hij zich om en schreeuwde: „Wallah abe, als jullie niet komen, dan bid ik dat Ararat op jullie hoofden dondert.”

Achter mij kwam Mustapha aangelopen in zijn onderbroek. Tegelijkertijd zag ik Jolanda de galerij op komen. „Wat is er met die Turk?” vroeg Mustapha.

„Ja, wat is er met Kemal?” vroeg Jolanda. „Hij liep mij net bijna ondersteboven.” „Hij gaat trouwen”, zei ik. „Over twee uur is het trouwfeest bij hem thuis.” Mijn verbijstering werd de hunne.

„Gaat hij ook al trouwen?” zei Jolanda.

Mustafa lachte. „Wat een ouwe boef, die Kemal.” „En de open dag dan?” vroeg Jolanda. „Ik ben bang dat we die moeten laten schieten” antwoordde ik. „Als we niet naar Kemals bruiloft gaan, zal hij bidden dat er iets op onze hoofden valt.”

Na van de eerste schok bekomen te zijn, gingen we op weg naar Kemals huis. Onderweg maakten we elkaar nog wijs dat Kemal ons in het ootje nam. Geen van ons had ooit signalen ontvangen dat Kemal zich wilde vastleggen in een huwelijk.

Maar toen we zijn straat inliepen, zagen we een feestende meute. Ze bliezen op toeters, sloegen op trommels, klepperden met castagnetten en zwaaiden met fel gekleurde zakdoekjes. Een groepje mannen en vrouwen stonden hand in hand in een halve cirkel en dansten tegen de klok in. Er kwam ons een kruidige geur tegemoet van geroosterd vlees.

Driss Tafersiti