Niemand heeft baat bij een opgejaagde pedo

Burgemeesters die een pederast de deur wijzen, verkleinen kans op recidive niet. Reïntegratie is vereist, aldus Jan Hendriks en Catrien Bijleveld.

De zaak van de Eindhovense pedoseksueel Sytze van der V. heeft overweldigende aandacht gekregen in de media, vanwege het gebiedsverbod dat hem in Eindhoven en deze week ook in de gemeente Utrechtse Heuvelrug is opgelegd. De vraag is of het in het belang van de samenleving is om pedoseksuelen op deze wijze maatschappelijk uit te sluiten. Meer precies: leidt dit ‘rondpompen’ van pedoseksuelen van stad tot stad tot minder of juist meer recidiverisico?

Wat weten we over het recidiverisico van zedendaders? Gemiddeld wordt zo’n kleine 30 procent over een periode van 25 jaar opnieuw veroordeeld voor een nieuw zedendelict. Natuurlijk betreft dit slechts de bij justitie bekende recidive. Ook zijn zedendelinquenten een zeer gemêleerde groep: bij sommige daders is het eens en nooit weer – dat geldt bijvoorbeeld voor veel jeugdige zedendaders – , bij anderen is het risico hoog en persistent.

In het algemeen wordt gedacht dat vooral volwassen pedoseksuelen tot die laatste groep behoren: onder de frequente en persistente recidivisten vinden we inderdaad relatief veel daders van pedoseksuele delicten, maar dat wil niet zeggen dat alle daders van pedoseksuele delicten permanent een hoog risico op recidive hebben.

Ervan uitgaande dat zedendelinquenten na veroordeling eens weer vrij komen, is het dus van groot belang een zo goed mogelijke inschatting te maken van het individuele recidiverisico. Dat er daarbij ook verkeerde inschattingen gemaakt worden, is overigens niet te vermijden. Het soort menselijk gedrag dat hier voorspeld wordt, is multicausaal bepaald en zo complex dat het een illusie is te veronderstellen dat men tot een 100 procent betrouwbare voorspelling kan komen.

Bij risicotaxatie wordt ook gekeken naar dynamische, veranderbare factoren, omdat bekend is dat van deze factoren een beschermende werking uit kan gaan. Een aantal van deze beschermende factoren wordt ook wel De Drie W’s genoemd: Wonen, Wijf, Werk. Wat verfijnder uitgedrukt kan voor wijf de term ‘vaste relatie’ worden gebruikt. Poliklinische behandeling van mannelijke delinquenten in het algemeen en pedoseksuelen in het bijzonder heeft een grotere kans van slagen wanneer zij op genoemde gebieden adequaat functioneren.

Een probleem voor veel pedoseksuelen – zeker wanneer zij exclusief op kinderen vallen – is dat een vaste relatie er niet inzit. Ze vallen immers niet op volwassenen en missen veelal ook adequate sociale vaardigheden om langdurige vriendschappen te sluiten. Voor hen is het dus des te belangrijker dat zij op het gebied van wonen, werk en sociaal netwerk wél stabiliteit hebben: een mate van zekerheid, inbedding en maatschappelijke status die men niet graag voor een nieuw delict op het spel zet.

Die inbedding is nog eens van extra groot belang als het schort aan zelfbeheersing. In de ideale situatie is een ex-dader in staat om voldoende zelfbeheersing uit te oefenen om herhaling te voorkomen. Wanneer de zelfbeheersing tekortschiet, kan deze versterkt worden via forensische behandeling. Ook veroordeelde pedoseksuelen kunnen goed in staat zijn om zelfbeheersingstechnieken te hanteren: zij fantaseren dan wel over kinderen, maar zullen nooit opnieuw tot seksueel contact overgaan.

Andere pedoseksuelen beschikken echter over onvoldoende zelfbeheersing en de verwachting is dat bij een deel van hen dit ook niet goed aan te leren is via behandeling. In bepaalde gevallen kan medicatie een uitkomst bieden, maar voor daders die zeer dwangmatig te werk gaan of vanwege hun beperkte verstandelijke vermogens impulsief handelen, is extra veel externe beheersing noodzakelijk: een wijkagent die regelmatig langskomt, de reclassering die over hun schouders meekijkt. Wanneer de dader voorts in een omgeving woont waar zijn gaan en staan gezien wordt, gaat hier ook een preventieve werking vanuit. Dit laatste kan natuurlijk alleen gebeuren wanneer dit niet de belangen van het slachtoffer schaadt, en van een preventieve werking kan alleen gesproken worden wanneer de dader niet uitgestoten wordt door die gemeenschap.

Als we nu kijken naar wat er gebeurt met Sytze van der V. die van de burgemeester niet in Eindhoven en de Utrechtse Heuvelrug mag wonen, dan is het niet erg waarschijnlijk dat dit soort maatregelen de kans op recidive verkleint. Immers, dit ‘not in my backyard’-beleid leidt er juist toe dat er geen stabiliteit komt op het gebied van wonen, werk en het sociale netwerk, en dat externe beheersing wordt bemoeilijkt. De samenleving zou meer gebaat zijn bij een goede reïntegratie van voormalige zedendelinquenten.

Jan Hendriks is werkzaam bij de forensisch psychiatrische polikliniek De Waag te Den Haag en de Vrije Universiteit te Amsterdam. Catrien Bijleveld is werkzaam bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving en de Vrije Universiteit te Amsterdam.