Moore schiet met hagel en treft doel

Moores documentaire Capitalism: a Love Story werd in Amerika lauw ontvangen.

De film stemt beurtelings droef, vrolijk en boos.

Het hoge woord is eruit. Capitalism is evil. Maar wat is beter? Communisme, socialisme, zelfs sociaal-democratie zijn in Amerika besmette woorden. Dus speelt filmmaker Michael Moore op veilig. De toekomst is aan ‘democratie’.

Moores documentaire Capitalism: a Love Story kreeg in Amerika een lauwe ontvangst. Toch is hij beslist niet minder dan zijn voorgangers. Zoals de Oscarwinnaar Bowling for Columbine (2002), waarin Moore de Amerikaanse wapenfetisj herleidt tot een racistisch angstcomplex. Of Gouden Palm-winnaar Fahrenheit 9/11 (2004), waarin hij de regering-Bush aanwrijft de aanslag op de Twin Towers te misbruiken om een door oliebelangen gedreven invasie in Irak door te drukken. Of Sicko (2007), waarin hij de onmenselijke hebzucht van Amerikaanse zorgverzekeraars hekelt.

Maar anders dan die ziedende J’accuses, voelt Capitalism: a Love Story als een behoedzaam optimistische toespraak na een gewonnen campagne. Als het eind van een cyclus. Toen Moore in 1989 het toneel opstampte met de documentaire Roger and Me had Amerika een decennium industriële ‘herstructurering’ achter de rug onder Ronald Reagan. Afbraakpolitiek, brieste Moore. De zoon van een fabrieksarbeider filmde hoe autogigant General Motors zijn geboorteplaats Flint verliet. Met dertigduizend banen minder was de stad gedoemd weg te roesten.

Alle Moore-elementen waren toen al aanwezig. Sarcastisch commentaar, geïllustreerd met hilarische film- en archiefbeelden. Moore die zijn massieve lichaam voor de camera plaatst en als ‘Joe Sixpack’ met slobberjeans en baseballpetje tevergeefs GM-directeur Roger Smith probeerde te spreken. Maar ontroerend in Roger and Me – en in al zijn werk – is de pathetiek van de Amerikaanse droom. Obscene rijkdom wordt getolereerd, want iedereen heeft immers gelijke kansen en hard werken wordt altijd beloond. En zo niet? Moore richt zijn camera meestal op de zelfhaat van de verliezers: de keerzijde van Amerikaanse zelfredzaamheid. Armoede is je eigen schuld. Je grijpt je kansen niet. Bent niet slim genoeg.

Roger and Me had ook bedenkelijke kanten, die al zijn films aankleven. Met feiten neemt Moore het niet zo nauw, hij fabriceert ze en fabuleert soms. Zo had CEO Roger Smith, die hem niet te woord wilde staan, in werkelijkheid twee gesprekken met Moore. Die pasten niet in de opzet en bleven achter in de montagekamer. Dat mag je polemiek noemen, maar ook misleiding. Bovendien stimuleerde Moore de egomane neiging van documentairemakers om zichzelf centraal te stellen. Documentaire werd amusement, maar wel door de lat lager te leggen.

In Capitalism: a Love Story keert Moore terug naar Flint: heel Amerika is in zijn ogen nu ‘geflintificeerd’. Vanuit die basis gaat Moore het kapitalisme te lijf, begrepen als doctrine dat je alles moet reduceren tot handelstransacties. Breder was Moores ambitie en historische panorama nog niet. Hij keert terug naar zijn beschermde jeugd in de jaren zestig, toen kapitalisme nog een gelukkige, solide middenklasse opleverde. Volgen de Reagan-jaren, toen vakbonden werden gebroken, inkomensverschillen stegen, publieke functies werden geprivatiseerd, het ministerie van Financiën een dochterbedrijf van Goldman Sachs werd, Amerika op krediet leerde leven en de bankwereld veranderde in een casino. Totdat het kaartenhuis met de kredietcrisis instortte en de uitgeholde middenklasse de rekening werd gepresenteerd. Moore brengt het als een samenzwering en citeert een intern memo van Citigroup, dat tevreden vaststelt dat Amerika nu een ‘plutonomie’ is. Alleen, waarschuwt Citigroup, de boeren worden onrustig.

Het is nogal wat. Om het morele bankroet van de vrije markt te bewijzen, richt Moore zich op excessen. Piloten die op voedselbonnen leven of bijbaantjes hebben omdat hun salarissen zijn gekort. Het schandaal rond de rechter die zich liet omkopen om jongeren voor pietluttige overtreding maandenlang in een private jeugdgevangenis op te sluiten. Het is een schot hagel, maar het treft doel. Capitalism: a Love Story is een retorisch mirakel dat beurtelings droef, vrolijk of boos stemt. Wel is Moore te vaak zelf in beeld met voorspelbare stunts: zo tracht hij op Wall Street ‘criminele bankiers’ te arresteren.

Amerika heeft in de ogen van Moore de bodem bereikt, de boeren pikken het niet langer en stemmen Obama, de enige weg is omhoog. Dat optimisme vermindert zijn urgentie: Moore laat ook doorschemeren dat zijn volgende film wellicht een komedie is. Een socialist zou zeggen: zijn historische missie is volbracht.

Capitalism: a Love Story

Regie: Michael Moore. In 27 bioscopen. ****