Monsterlijke mensen op woeste grond

In Den Haag is een overzicht van het werk van Léopold Rabus (1977) te zien.

Het resultaat is een visueel spektakel van jewelste.

Een dorp met huizen die de kleur hebben van abrikozen en perziken. Tuinen die overgaan in golvende wijngaarden en akkers. Een uitzicht op een meer dat azuurblauw is bij mooi weer en Ruysdael-grauw bij slecht weer. Dit alles afgezoomd door besneeuwde Alpentoppen in de verte. Dat is de speelwei van het jonge Zwitserse schilderstalent Léopold Rabus (1977). Hij houdt van zijn geboortestreek, voelt zich er thuis. Behoefte om op het vliegtuig te stappen en zijn talent te beproeven in een ver, vreemd en hip buitenland heeft hij niet.

Voorgangers van Rabus – kunstenaars als Turner, Böcklin, Hodler, Schiele – beeldden het Alpenland af als idyllisch, onheilspellend, euforisch schoon en altijd vol natuurfilosofische noties. Maar welke toon een schilderij, aquarel of tekening ook kreeg, altijd moest het wonder van de top in beeld gebracht. De rol van de mens tegenover het sublieme natuurspektakel was klein. Op zijn best was hij toeschouwer.

Rabus pakt het anders aan.

De in de buurt van het Zwitserse Neuchâtel geboren en in Nederland nog relatief onbekende kunstenaar haalt weliswaar net als zijn voorgangers de inspiratie voor zijn schilderijen en installaties uit z’n directe omgeving. Maar anders dan zij concentreert Rabus zich op het onopmerkelijke leven in de achtertuinen, op de rafelranden van het Zwitserse kanton, op lappen braakliggende, woeste grond, en vooral: op het morbide gescharrel van de mens daarin. Kinderen zowel als volwassenen, jong of stokoud: Rabus schildert ze als monsterlijke schoonheden in een virtuoze potpourri van stijlen.

In het GEM in Den Haag is nu de eerste museale solotentoonstelling met werk van Rabus te zien. Op de tentoonstelling – die doorreist naar Duitsland en Zwitserland – zijn zo’n twintig schilderijen op groot formaat en een paar installaties samengebracht. En dat zorgt voor een visueel spektakel van jewelste. Het is alsof de Vlaamse fijnschilder Jan van Eyck met de Amerikaanse striptekenaar Robert Crumb en de Zwitserse art-nouveau-kunstenaar Ferdinand Hodler in het atelier aan de slag is gegaan.

Want wat is er allemaal wel niet te zien op een schilderij van Rabus? Tot ongeveer 2005 concentreerde de kunstenaar zich op menselijke figuren in binnenruimtes. Kraaiachtige beesten kruipen daar rond. Mensen hebben extreem uitvergrote hoofden – alsof de schilder met een groothoeklens boven hen heeft gestaan –-hun handen en benen krioelen overal vandaan.

In recentere werken zijn de benauwde kamers ingeruild voor landschap. Rabus betovert ons met moerasgebieden waar de damp vanaf slaat, met besneeuwde vlakten en schimmelige schuren, met kale berkenstammen en verdorde rietstengels. In die omgeving doet de mens – of althans iets wat daarop lijkt – allerlei onduidelijke dingen: hij vangt kraaien, sleept met iets voort, begraaft een halve vos in het ijs, klimt een kelder in.

Op een van de vele hoogtepunten van de tentoonstelling, het Jachttafereel uit 2008, zoomt Rabus in op een roedel honden, op een half weggeschilderd paard, een jachthoorn, een grijnzende tronie onder een koket jagershoedje. Tussen het krioelend vlees rond de prooi is een hond met twee achterlijven en geen kop, een arm met een geweer in triomf geheven. Op de voorgrond schemert het water in onscherpe golfjes, op de achtergrond staan kale bomen, afgebrande staken, alles een waas.

Bij de beste schilderijen van Rabus valt nauwelijks te omschrijven wat er allemaal te zien is. Zijn beste schilderijen zijn louter stemming: ze ademen dood en verderf, maar ook triomf en een ongebreidelde levenslust. De buit is binnen, het bloed is gevloeid. Oud en nieuw komt bij elkaar. De bron daarvan zit veilig in de kunstenaar zelf, waar ter wereld deze ook zal werken.

Tentoonstelling Léopold Rabus. T/m 14 febr. GEM, Den Haag. Catalogus 29,95. ****

Lees meer op www.gemeentemuseum.nl