Laf

Gehoord op de radio: „Turkije laat wat mij betreft hier haar ware gezicht weer zien, een ondemocratisch, bang en laf land, wat nooit lid moet worden van de Europese Unie.” Dat was natuurlijk Geert Wilders.

Wat vooral bleef hangen was het woord ‘laf’. Ten eerste is dit een opmerkelijk woord om te gebruiken voor een land als geheel. Een land met laffe inwoners, alla (of hoe schrijf je dat eigenlijk? Allah?), maar het land zelf dat laf is? Het roept toch een beeld op van Geert Wilders die door Istanbul loopt en zegt: „Gadver. Wát een láffe brug zeg. En alweer zo’n laffe minaret. Bah.”

‘Laf’ geldt eigenlijk alleen voor mensen, soms voor daden, en verder voor een bak koffie of een waterig soepje in een jeugdherberg.

Daarnaast is het ongebruikelijk om ‘laf’ in combinatie met iets vrouwelijks (‘haar ware gezicht’) te horen. Raar is dat: „Wat een laffe man” is een volstrekt normale zin, maar „Wat een laffe vrouw” klinkt vreemd. Waarschijnlijk wordt hierin weerspiegeld dat alleen het geslacht dat sterk hoort te zijn, het in dapperheid af kan laten weten.

Bij lafheid hoort trouwens ook schaamte of schuldgevoel. Iemand die zich helemaal niet bewust is van zijn gebrek aan dapperheid, die fluitend wegloopt van zijn ondappere daad, die is niet laf. Bij laf hoort schichtig om je heen kijken.

Daarom zijn dieren ook vrijwel nooit laf.

Eén keer slechts heb ik een laffe poes gezien. Die was een vette duif aan het besluipen en was zichtbaar blij over hoe stoer dit over moest komen op eventuele toeschouwers. Maar hoe dichterbij hij kwam, hoe duidelijker het werd dat de duif eigenlijk even groot was als de poes. De sluipgang werd steeds langzamer, waarna de poes omkeerde en met de staart tussen de benen afdroop, onderwijl om zich heen kijkend. Waarschijnlijk met het schaamrood op de kaken, maar dat kon je niet zien omdat er een vachtje overheen zat.

paulien cornelisse