Hollands stadje

De discussies in de Tweede Kamer tussen PVV’er Fritsma en minister Van der Laan stellen mij als vaderlandslievend Nederlander zelden teleur. Als er zoiets bestaat als een Nederlandse volksaard, dan wordt die door beide heren, elk op zijn eigen manier, volmaakt belichaamd.

Als zij elkaar het leven enigszins zuur maken, zoals de afgelopen dagen, is het alsof je naar een matige, nogal kluchtige Nederlandse speelfilm uit de jaren vijftig zit te kijken. Het speelt zich af in een Fries stadje, en Sietse Fritsma is er de enige drogist, een zelfgenoegzaam aangelegde man, die zijn monopoliepositie waakzaam koestert. Niets ontgaat hem, als hij even niets te doen heeft, kijkt hij spiedend de winkelstraat in, waar zich soms een of twee nog wat verlegen hangjongeren ophouden.

„Daar staan ze weer”, sist hij dan tegen zijn vrouw, die in het donkere deel van de winkel de vakken met pleisters en hoestdranken aanvult.

Niemand in het stadje houdt van Fritsma, maar hij wordt gevreesd om zijn scherpe mondje en zijn argwanende blik. Hij doet ook altijd alsof hij meer van je afweet dan je zou willen. Wie hem tergt, zal het bezuren. Over wat zich in het stadje afspeelt, laat hij zich niets wijsmaken. Hij weet alles beter omdat hij over veel informatie beschikt die anderen niet krijgen of, dat vooral, niet begrijpen. Als men het waagt hem tegen te spreken, vervalt hij in de toon die hem het liefst is, die van de geringschatting en de hoon.

De enige die nog wel eens met hem in voorzichtige discussie gaat, is de plaatselijke bovenmeester, Eberhard van der Laan. Hij ziet er altijd een beetje grauw uit, alsof hij een lange doorwaakte nacht achter de rug heeft. Hij praat ook met dat laconieke dat bij vermoeidheid hoort. Soms is hij kortaangebonden, want hij heeft zijn eergevoel en hij wil niet de indruk wekken dat met hem de vloer kan worden aangeveegd. „U heeft niet goed naar me geluisterd”, zegt hij dan.

Fritsma en Van der Laan hebben regelmatig woorden over enkele zigeunerachtige gezinnen, die zich aan de rand van het stadje in slordige tenten ophouden.

„Ze moeten terug naar waar ze vandaan komen”, zegt Fritsma, terwijl hij voor Van der Laan de tabletten tegen maagzuur pakt.

„Ze zitten mij niet in de weg”, zegt Van der Laan, „maar ik geef toe dat sommige mensen er last van hebben.”

„Last? Overlast zul je bedoelen. Ik heb het al jaren geleden gezegd, maar je hebt nooit naar me willen luisteren. Ze passen zich niet aan, ze spreken de taal niet en hun kinderen jatten mijn snoep.”

„Zó komen we er niet uit”, zegt Van der Laan. „We moeten met elkaar blijven communiceren. Ik zoek ze vaak op en ik weet heus wel wat er mis is.”

Fritsma gaat kordaat achter de kassa staan. „Ik hoor dat jij met hun kinderen een uitstapje naar Amsterdam wil maken.”

„Dat ligt anders.”

„Als het waar is, kom je deze winkel niet meer in.”

Van der Laan vertrekt zwijgend. Hij vraagt zich wel eens af hoe het zou zijn, een leven zonder Fritsma, maar tegelijk beseft hij dat hij altijd wel ergens een Fritsma zal tegenkomen, waar dan ook. En, het is misschien raar om te denken, maar op een of andere zeer Hollandse manier horen ze ook bij elkaar.