Het enige wat je weggooit is de verpakking

De dalai lama staat niet enkel bekend om zijn oranje modelijn en zijn activisme voor zijn land dat door de Chinezen ingepalmd is, maar hij is ook een van de vele reïncarnaties Boeddha, hij die ontwaakt is.

Als er een echte, wollige lama, een dalai lama of een andere hoge geestelijke uit het Tibetaanse boeddhisme sterft, dan moet naar zijn nieuwe verpakking, zijn reïncarnatie, worden gezocht. Had de overledene bijvoorbeeld grote oren en begon zijn naam met een R, dan is de jacht geopend op een baby met Dumbo-oren en een R-naam. Superstrikte regels zijn er wel niet, enkel richtingwijzers van de goden. Doorgaans zijn goden goedgezind en tonen ze waar de wedergeborene rondkruipt.

Is er een jongetje gevonden dat aan de voorwaarden voldoet en spiritueel getalenteerd is, dan wordt het kind getest op zijn reïncarnatiegehalte. Is het wel echt door de dood heen gegaan en teruggekeerd op aarde, in een nieuw omhulsel? Dat wordt nagegaan door zijn vroegere gebedskralen, handdrum en bel tussen gelijkaardige voorwerpen te leggen. Pikt het kind zijn oude spullen eruit, dan is er quasi zekerheid dat het een ontwaakte is en niet de reïncarnatie van een oude kraai uit het hooggebergte.

Deze goddelijkheid, die wars van alle DNA-onderzoek verder wordt gezocht en die kindjes uit hun dorp en de armen van hun moeder weghaalt, is voor sommigen – niet toevallig nogal eens westerlingen – een tamelijk barbaars en achterhaald gebruik, typisch iets waar religiën in hun kinderschoenen wel eens last hebben.

Het mag zogezegd niet, mensen onderverdelen in rangordes, van boertjes tot godjes, vooral als dat ertoe leidt dat een hele troep mensen zich moet onderwerpen aan de grillen van een jochie dat zo beschermd wordt dat het niet eens de eigen losgekomen melktanden durft uit te drukken. De beelden uit The Last Emperor zinderen nog na. Een peutertje beveelt een leger van duizenden stoere krijgers om één twee drie rotte patatten met hem te spelen. Moeilijk ernstig te nemen als god. En toch.

Zelf heb ik mijn kans om als baby tot het bijnagodendom verheven te worden met mijn inmiddels indrukwekkende verzameling levensjaren, nu wel verspeeld. Misschien iets voor na mijn dood. Ik droom ervan om mijn versleten lichaamspak af te werpen en te reïncarneren, niet als kippenvleugeltjesventer maar als vrome monnik, overstromend van wijsheid. Ik droom er al mijn vijftien levens van. Dat kleine meisje met haar gelakte schoentjes aan en een zwaardje als een pen in het knuistje geklemd, dat ben ik. Mijn naam begint met een S. De S van Siddharta. En als jij mij zal zoeken, dan zoek ik jou.

Saskia de Coster