Een super-Zwitserland?

Moeten wij Herman Van Rompuy en lady Ashton feliciteren met hun nieuwe functie als respectievelijk vaste voorzitter van de Europese Raad en Hoge Vertegenwoordiger voor buitenlands beleid van de Europese Unie? Nee, want feliciteren betekent: gelukkig prijzen, en het is nog maar de vraag of zij in die baan gelukkig zullen zijn. We mogen ze wél gelukwensen – in de ware zin van het woord – , want ze zullen geluk en sterkte hard nodig hebben: het zijn zware, zo niet onmogelijke, verantwoordelijkheden die ze op zich genomen hebben.

Maar iedereen lijkt tevreden. Frankrijk en Duitsland zijn tevreden omdat de bescheiden Belg de man was die zij naar voren hadden geschoven. Engeland is tevreden omdat het Verdrag van Lissabon de verantwoordelijkheden van de Hoge Vertegenwoordiger duidelijker omschrijft dan die van Van Rompuy en hem – in dit geval: haar – meer geld en een heel diplomatiek corps van ongeveer drieduizend man geeft.

Ten slotte is Barroso tevreden, want hij krijgt geen figuur met sterallures naast zich, sterallures zoals Tony Blair zou hebben vertoond. Bovendien is lady Ashton, die tevens vicevoorzitter van de Europese Commissie wordt, aan hem verantwoordelijk. Je zou dus zeggen dat ook zij die de oorspronkelijke supranationale idealen van Europa nog koesteren, geen reden tot klagen hebben.

En toch heerst er (behalve in België, waar Walen en Vlamingen juichen over Van Rompuys hemelvaart) een katterige stemming. Is dat doordat nu pas goed het besef doordringt dat de vaste voorzitter van de Europese Raad – zeker in de interpretatie die Van Rompuy zelf aan die functie geeft – geen gelijkwaardige zal zijn van president Obama, president Medvedev (of zelfs Poetin) en president Hu Jintao?

Van Rompuy zal niet verder kunnen springen dan de polsstok die de 27 lidstaten van de EU hem geven. In elk gesprek dat hij met zijn collega’s zal hebben, zal hij geen toezeggingen kunnen doen zonder eerst weer ruggespraak met zijn opdrachtgevers te hebben. De Europese telefoon die Henry Kissinger al ruim dertig jaar geleden miste, wordt nu wel opgenomen, maar de boodschap luidt: „Al onze medewerkers zijn in gesprek. Nog even geduld alstublieft.” Het nieuws uit Brussel heeft dan ook in Washington, volgens de correspondent van The Financial Times ter plaatse, „een overweldigend gevoel van teleurstelling” gewekt.

In zo’n geval richten Europa’s gesprekspartners zich natuurlijk liever tot de nationale hoofdsteden – in de eerste plaats Londen, Parijs en Berlijn –, omdat daar wél beslissingen kunnen worden genomen. Bovendien geeft hun dit de mogelijkheid de politiek van ‘verdeel en heers’ te voeren. Geen wonder dat een waarnemer, na de benoeming van Van Rompuy en Ashton, van Europa sprak als een ‘super-Zwitserland’.

De buitenwereld kan dus ook tot de tevredenen worden gerekend. Zij krijgt niet met een nieuwe supermacht te maken, maar dat neemt niet weg dat haar ontevredenheid groeit, omdat Europese staten toch nog zoveel zetels innemen in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de G20 en andere internationale organisaties. Maar zelfs Nederland, dat zich altijd zo internationaal voordoet, zal er niet over peinzen zijn hard bevochten toegang tot de G20 op te geven.

De eigenlijke overwinnaars van vorige week zijn dus de lidstaten, de grote zowel als de kleine. Zij mogen dan tot een iets inniger vorm van interstatelijke samenwerking zijn gekomen dan het ‘Europa der staten’ dat de Gaulle voor ogen stond, het blijft een moeizame en tijdrovende beslissingsprocedure, die slagvaardigheid vrijwel onmogelijk maakt.

Wie heeft dan nog belangstelling voor Europa als gesprekspartner? De huidige president van de Verenigde Staten, die in Hawaï geboren is en zijn jeugd grotendeels in Indonesië heeft doorgebracht (en wiens vader een Keniaan is), voelt zeker geen natuurlijke affiniteit met ons werelddeel. Zijn aandacht gaat uit naar Azië – niet alleen uit persoonlijke voorkeur, maar vooral wegens de geopolitieke machtsverschuivingen, die geen enkele president kan negeren.

Dit is een ontwikkeling die al heel lang aan de gang is. In zijn onlangs uitgekomen memoires (Door Europa en de wereld) schrijft oud-ambassadeur Lodewijk van Gorkom hoe bij een bezoek van minister Van den Broek aan Jakarta in 1984 zijn Indonesische collega zegt: „Och, Europa zal natuurlijk altijd belangrijk blijven als een soort museum, maar de toekomst ligt in Azië.”

Daarover werd, aldus Van Gorkom, aan Nederlandse kant „wat schaapachtig gelachen”, maar de conclusie van een conferentie van Nederlandse ambassadeurs in die regio, die na Van den Broeks bezoek plaatsvond, luidde niettemin: „Inderdaad, de toekomst lag in Oost-Azië, en de positie en de invloed van de EU brokkelden af.” Dat onze diplomatie al 25 jaar geleden inzag hoe het tij in de wereld verliep, getuigt op z’n minst ervan dat ze niet had zitten te slapen.

Wat Van den Broek en zijn opvolgers vervolgens met die analyse hebben gedaan, is een ander verhaal. Van Rompuy en Ashton – wier verdiensten tot nu toe niet de aandacht van de wereld hadden getrokken – zullen dat tij in elk geval niet keren.

Wilt u reageren? Mail de auteur via dezerdagen@nrc.nl of reageer online via nrc.nl/heldring