Van dief tot brave huisvader

Kinderboeken zijn door de tijd heen steeds aangepast aan wat het publiek goed vond.

De gemeenste verhalen van de vos Reinaart werden rond 1900 weggelaten.

De afgelopen eeuwen werden een paar literaire klassiekers telkens opnieuw tot kinderboek bewerkt. Robinson Crusoe, Gullivers Reizen, Reynaert de Vos, Tijl Uilenspiegel – hele generaties van kinderen zijn ermee opgegroeid, ook al waren de oorspronkelijke werken niet of niet specifiek voor kinderen bedoeld.

„Alleen al van Robinson Crusoe zijn in honderd jaar tijd ruim tachtig versies in het Nederlands verschenen”, vertelt Sanne Parlevliet. Zij bekeek kinderboekbewerkingen uit de periode van 1850 tot 1950 en promoveert daar morgen op in Groningen.

„Ik benader die kinderboeken als een soort schriftelijke folklore. Zoals troubadours vroeger een bestaand verhaal steeds opnieuw vertelden en dat verhaal daarbij voortdurend aanpasten aan het publiek, zo zijn deze boeken steeds aangepast aan wat mensen vonden dat een goed kinderboek was. Men geloofde dat boeken direct van invloed waren op het gedrag van kinderen, en op hun normen en waarden.”

De vos Reinaart, een van die klassieke literaire personages, was dan een probleem. Reinaart moordt, verkracht en liegt in de middeleeuwse tekst. „Maar aan de andere kant, en dat was ook een van de motieven van de bewerkers, hij behoorde wel tot ons cultureel erfgoed. Men vond het belangrijk dat kinderen daarmee in aanraking kwamen. Reinaart werd getransformeerd in een held die wel door de beugel kon, er werd een veel lievere slimme vos gemaakt, die helemaal niet zoveel misdaden pleegde.”

Sommige bewerkers gingen daarin wel erg ver. Ze maakten van de vos een goede huisvader. Die deed wel ‘slechte dingen’, maar dat deed hij allemaal om zijn gezin te onderhouden. „Dat verwijst natuurlijk naar de gezinscultus van de negentiende eeuw, die ook in een deel van de twintigste eeuw nog heel sterk was. Men vond het belangrijk dat kinderen de waarden van het gezin ingeprent kregen.”

De gemeenste episodes, zoals de scène waarin Reinaart de wolvenkinderen blind piest, werden weggelaten. Net de leukste dingen, zouden we nu zeggen. Van Reinaart verschijnen nog altijd nieuwe bewerkingen, en aan het verhaal wordt nu een heel andere draai gegeven. „Er is een heel leuke bewerking van Paul Biegel uit de jaren zeventig. Die is heerlijk ongecensureerd. Reinaart piest gewoon die wolvenkinderen blind en de ballen van de pastoor worden daar ook gewoon door de kat afgebeten.”

Ook in de oorspronkelijke Tijl Uilenspiegel (zestiende eeuw) zit veel poep-en-pieshumor. Tijl is voortdurend bezig om zijn eigen drollen te verkopen of mensen die drollen te laten opeten. „Heel vies eigenlijk”, zegt Parlevliet. „Dat werd er allemaal uitgehaald. En de hele strekking van het verhaal verandert. Wat Tijl in het oorspronkelijke werk doet is: de sociale verhoudingen van de laat-middeleeuwse maatschappij op de hak nemen. Hij komt steeds in dienst bij een meester en die neemt hij te grazen, met hele smerige streken. Dat gaat heel erg over de verhouding leerling-meester. In de kinderboeken wordt Tijl een Dik-Trom-achtige figuur: ondeugend maar met een goed hart.”

Robinson Crusoe is ook een leuk geval. In de bewerkingen is dat juist een veel aantrekkelijker boek geworden, vindt Parlevliet. „Het origineel is langdradig en heel christelijk. Als kinderboek is het uiteindelijk een vlot geschreven avonturenverhaal geworden. Robinson kwam natuurlijk veel beter door de pedagogische keuring dan Reinaart. Maar rond 1920 gebeurt er iets interessants: dan gaat men meer kijken naar wat kinderen nou eigenlijk zelf leuk om te lezen vinden, er worden op scholen kleine onderzoekjes gedaan en daar komt uit dat kinderen heel erg van avonturenverhalen houden. Vanaf die tijd wordt Robinson Crusoe steeds meer een spannend overlevingsverhaal.”

Terwijl een kinderboek in 1850 vooral leerzaam en deugdzaam moest zijn, mocht het honderd jaar later ook gewoon spannend zijn. Rond 1900 was er nog een heftige discussie over de vraag of het lezen van spannende boeken ook verslavend kon zijn. Parlevliet: „In die tijd was men huiverig voor te veel lezen. Serieboeken die vooral op spanning dreven werden met wantrouwen bekeken. Men vreesde dat de kinderen helemaal in die spanning zouden worden meegesleurd en dan alleen nog maar wilden lezen. ‘Leeswoede’, noemde men dat. Kinderen moesten leerzame boeken lezen. Er waren zelfs mensen die vonden: je kunt ze maar beter wat saaiere boeken geven, want dan gaan ze tenminste niet zo veel lezen.”