Van 2 naar 4 miljoen mensen in 15 jaar tijd

In het uitgestrekte Kenia kun je nog pure eenzaamheid ervaren. Zo lijkt het.

Maar nomaden, boeren en stadsbewoners klagen allemaal over ruimtegebrek.

Vanaf de heuvel lijkt de wijde omgeving verlaten. Er schijnt geen elektrisch licht, er klinkt geen mechanisch geluid. Geen gebouwen, geen wegen. Alleen hier, in deze schrale, van mensen ontdane gebieden kun je nog het pure eenzaamheidsgevoel ervaren.

Zo lijkt het. Ieder teken van menselijke aanwezigheid gaat op in het bruin geblakerde landschap. Maar die mensen zijn er wél. Zoem in en er doemt een gebogen man in rode omslagdoek op, zijn wandelstok rustend op z’n schouders. Hij praat tegen struikgewas: onder de dorre takken verschuilen zich een paar mannen.

Er blèren geiten, een verre ezel balkt. Een vrouw loopt naar een woning die de vorm van een iglo heeft. De lemen huizen versmelten met hun omgeving. Alleen de ondergaande zon kan ze nog vangen in het laatste licht van de dag. Er blijken weer meer nomadische kralen te zijn in dit droge gebied van Noord-Kenia.

„Het is hier overbevolkt”, zegt Lepère. De herder geeft zijn tweede vrouw opdracht thee te koken en gebiedt Larus, zijn zesde kind, een geit te halen. „Twintig jaar geleden waren hier drie kralen, nu zijn het er tien keer zoveel”, vult Larus aan. De neushoorns verdwenen, net als het overvloedige gras. „Er zijn te veel mensen en te veel beesten. Vooral geiten, die eten het landschap kaal”, gaat Lepère door.

De koeien zijn tegenwoordig ver weg: drie dagen lopen, in de bergen bij het laatste malse gras. Bij de rivierbedding waar jonge krijgers water uit een metersdiep gegraven gat scheppen, wachten honderden geiten op hun beurt. Vroeger, vertelt Larus, „was je direct met je kudde aan de beurt”. Nomaden, boeren, stadsbewoners: allemaal klagen ze over gebrek aan ruimte. Kenia is uitgestrekt en prachtig. Maar het ontbreekt steeds meer aan goede landbouwgrond en graasgebieden. Slechts twintig procent is vruchtbaar. Kenia telde in 1948 5 miljoen inwoners, nu 40 miljoen. Ongeveer 44 procent van de bevolking is onder de 15, slechts 4 procent boven de 65.

In 1933 schreef de Keniaanse ‘landcommissie’ in een rapport over de alarmerend snel uitdijende bevolking: „Er moeten direct maatregelen worden genomen; we leven in geleende tijd.” De paniek over de bevolkingsgroei klonk in 1950 opnieuw door in het boek Last chance for Africa van de Brit Negley Farson. Hij opperde: „Is het niet beter om mensen en beesten te laten sterven? Zo niet, hoe lang kunnen we dan het onvermijdelijke op afstand houden?”

Na de onafhankelijkheid (in 1963) schreef de Keniaanse regering beleidsplannen voor een snelle industrialisering. Op die manier zou de bevolking van het platteland de urbane gebieden intrekken. De exodus vond de afgelopen halve eeuw inderdaad plaats – maar uit wanhoop, niet omdat de overtollige kleine boeren werk kregen in de steden.

Zo bleef Kenia steken in zijn overheidsplannen. Het bleef een overwegend landbouwland, dat nu bezwijkt onder zijn bevolking. Met krimpende akkers, met kaalgeslagen grond, met verpauperde boeren.

En overal wordt gebouwd. In de steden: villa’s, krotten, supermarkten, voedselkiosken. Nairobi groeide van 2 miljoen inwoners 15 jaar terug tot 4 miljoen nu. De stad zuigt omliggende dorpen in zich op. Grondprijzen verdrievoudigen. Grote delen van de stad moeten het stellen zonder water, zonder verharde wegen en vaak zonder elektriciteit. De rijken voorzien in hun eigen behoeften. In hun buurten domineren luxe winkelcentra, met prikkeldraad en hoge muren omheinde woningen. Je ziet er de laatste automodellen, reclameborden beloven een gave huid en een zorgeloze toekomst.

Dit soort buurten zijn schaamteloos gescheiden van de krottenwijken Mathare en Kibera – waar hun nachtwakers en huishoudelijke hulpen overleven. Zestig procent van de inwoners van de hoofdstad woont in sloppen, waar de misdaad welig tiert.

Een bromtaxi verscheurt de landelijke stilte. Een man bedelt op een zandpad, onder een bananenboom zit een jonge schoenenpoetser. De stad kruipt naar het platteland. Bedelarij, werkloosheid, misdaad: vroeger kenden de boeren deze verschijnselen niet, tegenwoordig sluiten ze hun deuren af met hangsloten en waarschuwen ze hun dochters bij het schemerdonker voor verkrachting. Jongeren hangen er doelloos rond, de toch al kleine akkers van hun ouders zijn verdeeld onder de talrijke zonen. „Hebt u werk voor me in de stad?”, vraagt de 18-jarige Alex. „Ik zal iedere dag uw toilet schoonmaken.”

Een stad kan een bruisende motor zijn. Veel stedelingen betekent veel werk, veel creativiteit, veel vooruitgang. Maar in Afrika houdt de economische groei geen gelijke tred met de toename van de bevolking. Overvolle steden zijn nachtmerries geworden, geen broedplaatsen voor nieuwe ideeën maar schroothopen voor de armen. Arme stedelingen die weer heel veel arme kinderen maken.

En intussen urbaniseert het platteland. „Mijn neef heeft tien kinderen, maar geen land”, vertelt Alex. „Er heerst hier geen rust meer, er bestaan geen afgelegen plekjes meer waar je stiekem met je vriendinnetje alleen kan zijn. En overal zijn boeven.”

Alex wil het anders doen dan zijn voorvaderen. Geen tweede vrouw, niet meer dan drie kinderen. „Mensen hebben de moed niet om van de tradities af te wijken en minder kinderen te nemen”. Ook Larus wil breken met het verleden. „Ik ga niet meer dan drie kinderen maken. Met de droogtes en al die drukte kan mijn generatie zich niet meer veel kinderen permitteren.”

Koerd Lindijer is voor NRC-correspondent in Afrika. Hij woont 25 jaar in Kenia.