Teruggave kunst gaat te snel

Bij teruggave van geroofde kunst moet duidelijk worden wat nieuwe feiten zijn en of een zaak is afgehandeld, vindt Katja Lubina.

In 2001 besloot de Nederlandse regering het beleid betreffende teruggave van geroofde cultuurgoederen die na WO II in de collecties van de overheid waren terechtgekomen, te verruimen.

Voortaan moest de restitutie ‘meer beleidsmatig dan puur juridisch’ worden benaderd. Echter, het officiële uitgangspunt bleef dat de teruggavezaken die na de oorlog door de bevoegde Nederlandse instanties waren afgehandeld, niet mochten worden heropend. Alleen wanneer zich een nieuw feit (een novum) voordeed, zou een afgehandelde zaak mogen worden herzien.

Het hoeft geen betoog dat de reikwijdte van het restitutiebeleid in sterke mate wordt bepaald door wat men als afgehandelde zaak of als novum beschouwt. Uit mijn onderzoek blijkt dat er een discrepantie bestaat tussen het regeringsbeleid en de manier waarop het door de Restitutiecommissie in de praktijk wordt gebracht. De Restitutiecommissie brengt sinds 2002 advies uit aan de regering betreffende individuele verzoeken tot teruggave van tijdens de oorlog geroofde of verkochte kunstwerken. Deze commissie past het regeringsbeleid ruimer toe dan wordt voorgestaan door de regering.

Het feit dat het officiële beleid nergens volledig op schrift staat, maakt het er niet duidelijker op. Er is een regeringsnotitie van juli 2002, een aanbeveling van de commissie-Ekkart, die door staatssecretaris Van der Ploeg in 1997 werd ingesteld en die over de herkomst van roofkunst en teruggave adviseerde. En er zijn twee brieven van de staatssecretaris aan de Tweede Kamer. Hieruit volgt dat onder het begrip ‘afgehandelde zaken’ wordt verstaan zaken waarin door de Raad voor het Rechtsherstel of een andere bevoegde rechter vonnis is gewezen of een formele schikking is getroffen.

De commissie-Ekkart, die drie adviezen heeft uitgebracht, heeft nog wel aangeraden om veranderde historische inzichten over het toen gevoerde beleid ook als nova te beschouwen. Maar dat is door regering afgewezen.

Uit de adviezen van de Restitutiecommissie blijkt echter dat de commissie wel degelijk veranderd (historisch) inzicht als novum herkent. Dit blijkt al uit haar eerste advies in de Gutmann-zaak. De erven Gutmann hadden in 1999 de Nederlandse regering verzocht om de teruggave van 200 kunstvoorwerpen uit de voormalige collectie-Gutmann.

Het ging om voorwerpen die na de oorlog niet teruggevraagd waren, waarschijnlijk omdat ze niet bekend waren bij de erven, en voorwerpen waarover de afdeling rechtspraak van de Nederlandse Raad voor het Rechtsherstel zich in 1952 had uitgelaten. Bij de tweede categorie ging het dus om een afgehandelde zaak die alleen mag worden heroverwogen wanneer sprake is van een nieuw feit. Volgens de Restitutiecommissie was daarvan sprake en moesten alle voorwerpen worden teruggegeven.

Op grond van veranderde (historische) inzichten kon niet worden vastgehouden aan het toenmalige uitgangspunt dat eventueel ontvangen vergoedingen of tegenprestaties voor de in oorlogsomstandigheden afgestane kunst aan de Staat moesten worden teruggegeven. Als men de officiële interpretatie volgt, ging het niet om nieuwe inzichten over de herkomst van de objecten en was er geen sprake van een afwijking van een vonnis, uitgesproken door de afdeling rechtspraak van de Raad van het Rechtsherstel. Er zijn dus verschillende interpretaties van het begrip novum: de beperktere interpretatie volgens het officiële regeringsstandpunt en de ruimere interpretatie van de Restitutiecommissie. De regering heeft tot nu hierover niets laten horen.

Dit verbaast om twee redenen: ten eerste heeft de Restitutiecommissie in haar advies duidelijk aangegeven van het door de regering gestelde beleidskader af te wijken. In haar algemene overwegingen stelt de commissie dat „inzichten en omstandigheden die naar algemene maatschappelijke opvattingen sedert de Tweede Wereldoorlog klaarblijkelijk zijn veranderd, gelijk mogen worden gesteld aan nova (nieuwe feiten)”. Ten tweede had de regering het advies of de motivatie daarvan niet over hoeven te nemen. Toen de staatssecretaris in 2006 het besluit bekend maakte om alsnog de Goudstikkercollectie terug te geven, heeft ze dit immers ook gedaan.

Dit roept de vraag op wanneer een zaak is afgehandeld. Was de Goudstikker-zaak een afgehandelde zaak, zoals gesteld door de regering. Of had de Restitutiecommissie gelijk in haar oordeel dat het rechtsherstel voor Goudstikker na de oorlog geen afgehandelde zaak was? Mijns inziens is het advies van de Restitutiecommissie te ver doorgeschoten. De Goudstikker-zaak was wel degelijk een afgehandelde zaak: er is immers door het Gerechtshof Den Haag in 1999 beslist dat er geen gewichtige redenen bestonden om ten gunste van verzoekers ambtshalve rechtsherstel te verlenen.

De vraag waarom de regering alsnog tot teruggave is overgegaan, zal elders aan bod moeten komen. Voorlopig kunnen de volgende conclusies worden getrokken: de hanteerbaarheid van het huidige ‘meer beleidsmatige dan puur juridische’ beleidskader laat te wensen over. Met name de interpretatie van nieuwe feiten en afgehandelde zaken wordt in de praktijk anders toegepast dan de regering voorstaat. Hier is duidelijk behoefte aan stellingname en bijsturing door de regering.

Katja Lubina promoveert vandaag aan de Universiteit Maastricht op haar onderzoek naar de teruggave van cultuurgoederen. Het proefschrift biedt een overzicht van de rechtspraktijk bij de teruggave van cultuurbezit uit publieke collecties.

Het boek Contested Cultural Property – The return of Nazi spoliated art and human remains is bij de auteur te verkrijgen: K.Lubina@maastrichtuniversity.nl