Overleven dankzij een goudkruimel

De goudkoorts in Mongolië lokt ook illegale goudzoekers naar de mijnen.

Mijnexploitanten roepen tevergeefs op tot een harde aanpak van deze ninja’s.

Twee mannen zitten gehurkt aan de rand van een gat in een drooggevallen rivierbedding, vlakbij een graafmachine. Als de machine draait om een schep zand te lossen, glippen de twee snel de kuil in en beginnen als bezetenen een zak te vullen met zand en stenen. Dan zwiert de machine weer hun kant op, de schep komt gevaarlijk dichtbij. De bestuurder schreeuwt de mannen woest iets toe. Die vullen nog snel hun zak en maken zich glimlachend uit de voeten.

De twee mannen zijn ninja’s, illegale goudzoekers in Mongolië die een graantje willen meepikken van de goudwinning in hun land. Ze struinen terreinen af van mijnbedrijven op zoek naar ieder beetje goud. Ze heten zo omdat ze hun zand en stenen zeven in groene wasteilen die ze op hun rug dragen. Zo lijken ze wat op de Teenage Mutant Ninja Turtles, de vechtende schildpadden uit de gelijknamige tv-serie uit de jaren negentig.

Vaak gaat het om arme nomaden die het leven op de steppe niet meer kunnen bolwerken. Maar ook mensen uit de stad, leraren, taxichauffeurs en studenten die willen bijverdienen doen mee. In Uyanga, vijf uur rijden van de hoofdstad Ulan Bator langs golvende groene heuvels, zijn het er zo’n tienduizend. In heel Mongolië gaat het om 100.000 ninja’s. En het worden er steeds meer.

Mongolië is rijk aan grondstoffen. Gekscherend wordt wel gezegd dat hier alle elementen in de grond zitten. Internationale mijnbedrijven staan in de rij om hun aandeel op te eisen. Ook kleine Mongoolse bedrijfjes doen mee. En dan zijn er de ninja’s, die, letterlijk, de kruimels verzamelen – het goud dat ze stelen is vaak niet groter dan een broodkruimel. Daarvoor riskeren ze hun leven, wekelijks vallen er doden.

De ninja’s zijn niet populair bij de mijnbedrijven. De politie wordt ingeschakeld om hen weg te jagen. Er zijn pesterijtjes: de met veel moeite gegraven kuilen van de ninja’s (die vaak geen gereedschap hebben en dus met blote handen werken) worden dichtgegooid. Soms komt het tot confrontaties. In het mijngebied Zaamar vond vorig jaar een veldslag plaats na een ruzie tussen een bewaker en een ninja. De ninja’s bestormden de mijn, er werd geschoten, bewakers sloegen op de vlucht, er viel een dode.

De Mongoolse ondernemer Boldmaa bezweert in zijn kleurrijke ger, de traditionele schapenwollen nomadenhut, dat hij nog nooit geweld heeft gebruikt tegen de ninja’s. Natuurlijk, het wegjagen en de pesterijen bevestigt hij. Maar hij vindt dat hij dat recht heeft. „Het is ons goud. Dit is ons land, wij hebben het gekocht. Maar de ninja’s pakken het af.”

Zijn vrouw beklaagt zich over de volstrekte wetteloosheid en anarchie in de kampen van de ninja’s. Ze vechten onderling, zegt ze, ze drinken als Russen en er wordt gehoereerd. Wie een kijkje neemt in de ninjakampen, waant zich even in Sodom en Gomorra. Overal ligt afval, dronken ninja’s waggelen voorbij, een vrouw plast achter haar hut. Luidsprekers prijzen schallend wodka en airag, gefermenteerde merriemelk, aan.

Verderop is een jongen met vegen in zijn gezicht druk bezig een gat te graven met een kapotte schop. Zweetdruppels staan op zijn gezicht. Zijn vader, een gedrongen man in leren jas, ligt naast hem met zijn hoofd op een zak. Hij rookt een sigaret. „Dit is een beter leven dan nomade zijn”, lacht Battulag (36). Hij vindt de klachten van Boldmaa maar flauwekul. „Ik vind mezelf niet illegaal”, zegt hij resoluut. „Ik moet ook leven.” En de ninja’s kunnen het best met elkaar vinden. „Natuurlijk, er gebeurt wel eens wat, maar dat zijn kleine dingen.”

Milieuactivist Ongonbayar uit het stadje achter de vallei is daarentegen helemaal klaar met de ninja’s. Die brengen volgens hem de natuur onherstelbare schade toe. Ze gebruiken al het water van de rivier om goud te zeven, waardoor die droog is komen te liggen – met alle gevolgen van dien voor de herders die er met hun kuddes kwamen drinken. En ze gebruiken arseen en andere chemicaliën die de bodem verontreinigen. „Het hele gebied is verwoest.”

Ongonbayar beklaagt zich erover dat de overheid de ninja’s hun gang laat gaan. Maar in Ulan Bator legt adviseur van de president Oyungerel Tsedevdamba uit dat de regering niet anders kan. Ook zij heeft er de buik vol van: „Ik hou absoluut niet van die hongerige, werkloze mensen die bij de mijnen rondzwerven en de boel kapotmaken”, zegt ze ferm. Maar een verbod is niet te handhaven. De regering, zegt Tsedevdamba, begrijpt bovendien dat veel ninja’s niet anders kunnen. Het zou helpen, zegt ze, als de regering alternatieve banen kon creëren. Maar daarvoor is geen geld.

Legaliseren en reguleren is het devies, zegt Tsedevdamba. Maar dat schiet nog niet op. Vorig jaar is een wet voorgesteld die hierin voorziet, maar die raakt maar niet door het parlement. Er is veel weerstand. Tegenstanders werpen op dat het probleem zo groter wordt: dan gaat iedereen het doen. Tsedevdamba, gelaten: „Dit probleem gaat voorlopig niet weg. Het goud verdwijnt ook niet.”

En Battulag? Die weet heus wel dat hij slecht is voor het milieu. En na nog eens vragen wil hij ook wel erkennen dat het niet helemaal loepzuiver is wat hij doet. „Maar ja, wat kan ik doen? Onze levens zijn verknoopt met goud. Dit is hoe we overleven. De mijnen zijn voor ons een manier om te ontsnappen.”

Dan, weer even stoer als net, laat Battulag trots zijn vondst van vandaag zien. Een paar spikkels goud glimmen in zijn hand. Hij lacht en straalt. „Het is niet veel”, zegt Battulag. „Maar op een goede dag vind ik wel 50 euro aan goud. Bovendien ben ik vrij. Ik kan mijn eigen boterham verdienen. Ik blijf dit net zolang doen tot al het goud op is.”