Lanting: 'Improvisatie maakt klucht kapot'

Regisseur en acteur John Lanting zegt dat de huidige neiging tot improviseren in de klucht het toneelgenre ondergraaft: „Wanneer een hoofdrolspeler gaat improviseren, degradeert hij de andere spelers tot figuranten. Hij kan daarmee volop excelleren, maar het is een egocentrische manier van acteren. En de klucht zal teloor gaan.”

Hij schrijft dit in een reactie op het interview zaterdag in deze krant met Jon van Eerd, Lantings opvolger als erfdrager van de Nederlandse klucht.

Lanting bestrijdt de uitspraak van Van Eerd dat meer improvisaties de klucht zouden vernieuwen: „In feite is improviseren een achterhaalde speelwijze. Ik heb vele kluchtspelers bestudeerd. Al vroeg zag ik dat kluchtproducties, zoals die van Cor Ruys en Johan Kaart, tamelijk snel afzakten en leidde tot overschreeuwen en malloterie. Het was toen haast een must dat er geïmproviseerd werd. Daardoor heeft de klucht een slechte naam gekregen.”

Lanting: „Als Jon van Eerd op deze ingeslagen weg doorgaat zal dat weer gebeuren. En dat zou ik zeer betreuren.”

Van Eerds eerdere verwijzing naar het werk van André van Duin, die veel improviseert, gaat volgens Lanting niet op omdat Van Duin nooit meerdere spelers om zich heen heeft.

Lanting (Overveen, 1930), voormalig koning van de klucht, maakte met zijn Theater van de Lach tot 1996 kluchten als Nee Schat nu niet, In de kast op de kast en Een trouwring mag niet knellen. Zijn shows werden in de jaren zeventig en tachtig op de televisie uitgezonden.