In Italië bestaat de waarheid niet meer

Hoogtepunt van het IDFA-festival is ‘Videocracy’ van Erik Gandini. De film laat zien hoe de platte smaak van Silvio Berlusconi Italië in de greep houdt – met desastreuze gevolgen.

Peter de Bruijn

Dertig jaar geleden begon het met een televisiequiz, waarin een Italiaanse huisvrouw bij elk goed antwoord een kledingstuk verwijderde. De Italianen waren wel toe aan een verzetje na de ‘jaren van lood’: de bloedige jaren zeventig, die in het teken stonden van het terrorisme. Bovendien was de greep van de Katholieke Kerk op het televisieaanbod verslapt. Inmiddels is de commerciële televisie zo ver opgerukt dat het de dominante culturele invloed is in Italië. Het egocentrische, platte hedonisme op de zenders van premier Berlusconi zet de toon in het land.

Dat is de strekking van Videocracy van de jonge Zweeds-Italiaanse regisseur Erik Gandini, een hoogtepunt op de huidige editie van het documentairefestival IDFA. Gandini volgt in zijn film een jonge automonteur die werkt aan zijn televisiedoorbraak, spreekt met de regisseur van de Italiaanse Big Brother, komt over de vloer bij de succesvolle televisieagent Lele Mora, een vertrouweling van Berlusconi, die filmpjes laat zien van de door hem bewonderde Mussolini op zijn mobiele telefoon, en hij volgt de kruimelcrimineel en Italiaanse mediaheld Fabrizio Corona.

De film is intelligent, onthullend en verontrustend, maar Gandini heeft er geen boze aanklacht van gemaakt. „Het maatschappelijke debat in Italië is volledig gepolariseerd. Daarom leek het me weinig zinvol om daar met nog meer woede aan bij te dragen. Boosheid zit ook niet zo in mijn karakter.”

Videocracy kon zonder tegenwerking van Berlusconi en consorten in de Italiaanse bioscopen worden vertoond en trok daar 150.00 bezoekers. Maar de televisiezenders, waarover Berlusconi indirect nog steeds de scepter zwaait, weigerden om de trailer van de film uit te zenden. „Berlusconi is een man van 75 met een heel ouderwets idee van censuur. Na het verbod stond de trailer van mijn film binnen de kortste keren op YouTube.”

Gandini kreeg ook verbazingwekkend makkelijk toegang tot de kopstukken van de commerciële televisie, zoals agent Mora. „Mannen zoals hij hebben geen flauw benul wat een documentaire precies is. Ze hebben ook nog nooit van een onafhankelijk filmmaker gehoord. Dat gaf me een enorme voorsprong.” Bovendien hoort Mora zichzelf graag praten. „In zijn wereld is de topman degene die voortdurend spreekt en nooit luistert. Iemand die langskomt om vragen te stellen, is per definitie een loser. Ik denk dat hij nog steeds mijn naam niet weet.”

Gandini neemt niet alleen Berlusconi op de korrel. „Het zou te gemakkelijk zijn om alle ontwikkelingen toe te schrijven aan één man, al draagt hij een grote verantwoordelijkheid. Het grootste schandaal is dat niemand in Italië ooit een serieuze poging heeft gedaan om Berlusconi te stoppen.”

Volgens Gandini is Italië inmiddels een ‘videocratie’, waarbij het beeld allesbepalend is. De notie van waarheid speelt geen rol van betekenis meer. „In een videocratie tellen alleen emoties en indrukken. Berlusconi is de meest bevoorrechte man van Italië, maar hij weet zich keer op keer als slachtoffer te presenteren. En dat werkt. Als er in Nederland beelden te zien zijn waarop een Nederlandse militair in Srebrenica proost met generaal Mladic, dan ontstaat er een schandaal. Maar als zo’n filmpje in Italië naar boven komt, wordt er onmiddellijk gezegd dat het wel een vervalsing zal zijn, of dat de communisten erachter zitten. Het is buitengewoon angstaanjagend om in een maatschappij te leven waarin waarheid niet meer bestaat.”

Het probleem is volgens de filmmaker niet voorbehouden aan Italië. „Ik heb Fitna gezien van Geert Wilders. Die film werkt precies zo, met beelden die inspelen op emotie, namelijk dat moslims eng zijn.” Gandini stoort zich eraan dat Berlusconi in het buitenland vaak wordt afgeschilderd als een clown. „Berlusconi spint daar garen bij. De Amerikaanse president Clinton zou een gat in de lucht zijn gesprongen als hij de hele Lewinsky-affaire met een grap had kunnen afdoen.”

Berlusconi heeft een Italië naar zijn eigen evenbeeld in het leven geroepen, vindt Gandini. „De commerciële televisie is in hoge mate een reflectie van zijn smaak en persoonlijkheid. Hannah Arendt heeft de term ‘banaliteit van het kwaad’ gebruikt, om Duitse oorlogsmisdadigers te typeren die als bureaucraten gewoon hun werk deden. In Italië zie je nu het omgekeerde: het kwaad van de banaliteit. Berlusconi zal ooit weleens voor de rechter moeten verschijnen voor de corruptiezaken waarin hij is verwikkeld, maar het kwaad van de banaliteit is juridisch niet strafbaar, terwijl dat zijn grootste misdrijf is.”