Feiten? Wat voor een sóórt feiten bedoelt u precies?

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: tweede misvatting over Darwins evolutietheorie.

Vorige week heb ik geprobeerd te laten zien dat het een misvatting is om te denken dat Charles Darwin de eerste was die op het idee van evolutie kwam. Al ver voor Darwin speelde filosofen met de gedachte dat mensen en dieren ‘gemeenschappelijke voorouders’ zouden hebben en waren er wetenschappers die speculeerden dat de wereld om ons heen niet altijd hetzelfde was geweest. Een kanttekening is op zijn plaats. Darwin was wél de eerste die een overtuigende verklaring had voor het evolutionaire proces, namelijk: het mechanisme van natuurlijke selectie. Sindsdien is er veel kennis verworven die de evolutietheorie ondersteunt.

Dat brengt ons op de tweede misvatting die vaak in discussies over evolutie ter berde wordt gebracht: het idee dat evolutie slechts een hypothese en geen feit is. Daarmee bedoelen critici doorgaans dat de evolutietheorie niet ‘bewezen’ is, in de zin dat ze onomstotelijk vaststaat, en zolang dat bewijs uitblijft dus niets meer is dan een ‘geloofsartikel’ – net als het idee van creationisten dat God de wereld heeft geschapen. De vraag of dit een misvatting is of niet, is bovenal een taalkwestie. Het hangt er maar net vanaf hoe de woorden ‘theorie’, ‘feit’ en ‘bewijs’ worden bedoeld.

Volgens de bioloog Richard Dawkins, die onlangs een boek over evolutie publiceerde getiteld The Greatest Show On Earth (2009), hanteren creationisten een definitie van ‘theorie’ zoals de Oude Grieken de term theoria bedoelden: als „speculatie of vermoeden”. In de wetenschappelijke praktijk heeft het woord echter een andere betekenis, namelijk: een „schema of systeem van ideeën of proposities die gezien worden als verklaring voor een groep [empirische] feiten of fenomenen”. Op grond van dit verschil ontstaat tussen creationisten en wetenschappers volgens Dawkins een taalkundig misverstand over de begrippen ‘feit’ en ‘bewijs’.

Wanneer wetenschappers de evolutietheorie een feit noemen waarvoor een aanzienlijke hoeveelheid bewijs bestaat, bedoelen ze daarmee, zegt Dawkins, dat het „een hypothese is die bevestigd en bepaald is door observaties en experimenten […] in samenhang met de voor waar aangenomen natuurwetten, principes en oorzakelijke verbanden”. Het verwijt dat de theorie slechts een hypothese is, doet de theorie in wetenschappelijke zin dus te kort: het is een proefondervindelijk bevestigde hypothese. Niet meer, maar ook niet minder.

Dat de theorie geen feit is in de zin dat ze onomstotelijk vaststaat, zal de wetenschapper daarentegen moeiteloos toegegeven. Geen enkele wetenschappelijke theorie heeft namelijk die status. De creationist verwijt de wetenschapper dus als het ware iets wat hij niet beweert: dat de evolutietheorie onweerlegbaar zou zijn. Dat is een kolossaal misverstand. Onweerlegbaarheid is namelijk geen criterium in de wetenschap. Integendeel, onweerlegbaarheid is een criterium dat juist haaks staat op de wetenschappelijke praktijk.

Volgens de meest invloedrijke wetenschapsfilosoof Karl Popper (1902-1994) moet een theorie namelijk weerlegbaar zijn, wil ze überhaupt wetenschappelijk genoemd kunnen worden. Of, zoals Popper het formuleerde: „Een bewering of systeem van beweringen moet noodzakelijkerwijs kunnen conflicteren met mogelijke of denkbare observaties.”

Is een dergelijk conflict uitgesloten, dan kan de theorie niet wetenschappelijk zijn, zegt Popper, omdat de theorie dan niet toetsbaar is. Immers, zijn mogelijke weerleggingen ondenkbaar, dan zijn er ook geen manieren om de theorie te verifiëren. Kortom, juist een onweerlegbare theorie is niets meer dan speculatie, niet andersom. Dat maakt de kritiek dat de evolutietheorie slechts een hypothese is dus een lege huls: in die zin van het woord is iedere theorie ‘slechts een hypothese’. De creationist verlangt naar een soort absoluut of metafysisch bewijs dat in de wetenschap helemaal niet bestaat.

Deze spraakverwarring over de waarheidswaarde van de evolutietheorie is terug te voeren op een onderliggend misverstand, namelijk: dat de evolutietheorie zou verklaren hoe het leven op aarde is ontstaan. Dat is geenszins het geval. Deze misvatting wordt vaak als argument aangevoerd voor de kritiek dat evolutie slechts een hypothese is. Evolutionisten weten immers niet ‘hoe het allemaal begonnen is’, zegt men dan. Dat klopt, maar dat pretenderen evolutionisten ook niet.

Evolutie en de oorsprong van het leven zijn namelijk „twee conceptueel gescheiden domeinen”, zoals de wetenschapper Eugenie Scott het formuleert in haar boek Evolution vs. Creationism (2009). De evolutietheorie begint waar het ontstaan van het leven is verondersteld. Het verklaart slechts hoe uit dat begin zoveel verschillende soorten leven zijn voortgekomen. Hoe het leven zélf is ontstaan, is een vraag die tot een volstrekt ander vakgebied behoort, namelijk de abiogenese. Darwin had wel ideeën over de eerste levensvorm, maar over de precieze oorzaken ervan is tot op heden weinig bekend.

De evolutietheorie moet, om dezelfde reden, dan ook niet verward worden met de Big Bang-theorie – of met andere wetenschappelijke pogingen om het ontstaan van het universum of het begin van de tijd te verklaren. Met al die theorieën heeft evolutie vrij weinig te maken, behalve dan dat ze in de praktijk vaak samengaan: wie de evolutietheorie aanhangt, onderschrijft meestal ook zoiets als de Big Bang-theorie. Maar elkaar veronderstellen doen ze zeker niet.

Sterker nog, het is zelfs hoogst twijfelachtig of de vraag naar het ‘begin’ van ruimte en tijd wel toebehoort aan de wetenschap. Dat wil zeggen, het is maar de vraag of daar een rationeel en empirisch onderbouwd antwoord op is te geven. Afgaande op de filosofie van Verlichtingsdenker Immanuel Kant (1724-1804) moet men concluderen van niet. Kant stelde namelijk dat het denken en ervaren zélf een aantal noodzakelijke categorieën veronderstellen, waaronder tijd, ruimte en causaliteit. Daarmee bedoelde Kant: iets denken of ervaren is onmogelijk zonder het te plaatsen in een tijd, een ruimte en een verband.

Vragen als ‘hoe is de tijd begonnen?’ of ‘hoe is de ruimte ontstaan?’ zijn daardoor niet te beantwoorden, zegt Kant. Het begin van tijd en ruimte valt buiten ons denkvermogen. We kunnen ons er, letterlijk, niets bij voorstellen. Denk maar eens aan het einde van het heelal: onmiddellijk vraagt de rede zich af wat daar dan ‘achter’ zit.

Hetzelfde geldt voor het begin van tijd: de rede dwingt automatisch tot de vraag ‘hoe kan de tijd begonnen zijn als er daarvóór geen tijd was?’ Iedere oorzaak van tijd en ruimte die we bedenken, zal aan dit probleem onderhevig zijn – tot in het oneindige. Om deze reden noemde de filosoof Ludwig Wittgenstein (1889-1951) dit soort vragen dan ook „betekenisloos”.

Het ironische is dat creationisten dit probleem juist aangrijpen als een bewijs voor hun stelling dat God het universum moet hebben geschapen. De redenatie luidt dan dat tijd en ruimte ooit moeten zijn ‘ontstaan’ of ‘begonnen’ en dat er dus een ‘eerste oorzaak’ aan ten grondslag moet liggen – een god. Precies deze opvatting hield de Griek Aristoteles (384-322 v. Chr.) er ook op na. Hij noemde God „de onbewogen beweger”: datgene wat alles in gang heeft gezet zonder zélf in gang te zijn gezet. Dit godsbewijs is dus rationeler dan vaak wordt gedacht. Alles wat is ‘ontstaan’ moet een ‘begin’ hebben, zo dicteert de rede. Wie maar ver genoeg doorredeneert, komt uiteindelijk uit bij een absoluut begin – een god.

Kant beschouwde dit echter niet als een bewijs, maar juist als een fundamentele tekortkoming van ons denken. Hier stuit de rede simpelweg op de grenzen van wat zij zich voorstellen kan. Dat maakt van het ontstaan van de wereld per definitie een geloofskwestie en van de Big Bang theorie, in wetenschappelijke zin, een doodlopende weg. Want altijd zal de vervolgvraag luiden: wat veroorzaakte de Big Bang dan?

Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat veruit de meeste wetenschappers agnosten zijn. Dat is namelijk de meest rationele positie: een ‘eerste oorzaak’ kan ontkracht noch bewezen worden. Of, om met Wittgenstein te spreken: voor een wetenschapper is het begrip God ‘betekenisloos’, omdat het niet in een ruimte, een tijd en een verband kan worden geplaatst. Hij kan er dus niks mee. De creationist die de wetenschapper vraagt om ‘feiten’ waarmee de evolutietheorie, of welke theorie dan ook, onomstotelijk kan worden ‘bewezen’, zal daarom ook altijd nul op het rekest krijgen. In dat sóórt feiten gelooft de wetenschapper niet.

Scheelt weer een hoop misverstand.

Volgende week: de misvatting dat evolutie berust op toeval