Een welgemeend advies aan Tofik Dibi

Ik las het ‘manifest’ van Tofik Dibi dat in de Volkskrant stond afgedrukt onder de titel ‘Weg met het doemdenken’. Maandagavond werd hij erover onderhouden door Pauw en Witteman, die het maar niks vonden. Ik vond het lang niet onaardig. Maar dat ligt waarschijnlijk mede aan de jongensachtige, soms bijna kinderlijke onbedorvenheid die Tofik uitstraalt, en die me iedere keer weer goed doet: bij mij kan hij een potje breken. Geen Pietje Bell, eerder een Dik Trom. Nooit de fietsband van een door iedereen gehate buurman lek prikken, altijd eerder geneigd om met twee bandenwippers, een teiltje water, solutie, een plakkertje en een pomp de boel te herstellen.

Harde werker ook. De hele dag in Den Haag, vóór winkelsluiting nog gauw boodschappen inslaan voor het hele gezin, jonge broertjes en zusjes in bed helpen en verhaaltje voorlezen, even naar het verpleeghuis om oma een bloemetje te brengen, en dan moet hij eigenlijk gaan slapen omdat het morgen weer vroeg dag is, maar nee: tóch tot in de kleinste uurtjes nog een manifest gaan zitten schrijven. Zo’n jongen.

Wat staat er in ‘Weg met het doemdenken’?

Dat we moeten ophouden met doemdenken. Zeker in het integratiedebat, waarover nu al jarenlang elke dag op het Binnenhof wordt geneuzeld, gekeuteld, gebeuzeld, gereuteld en geleuterd, zonder dat ze één stap verder zijn gekomen dan Bolkestein al was in 1991. Ze zitten allemaal, zoals Tofik het in een treffende metafoor uitdrukt, „vastgelijmd voor een buis, starend naar een beeld dat uitstaat. Gepauzeerd op 5 voor 12”.

Wat vreselijk lijkt me dat: zo jong, en toch de hele dag samen met mensen als Pierre van Geel, Fred Teeven, Sietse Fritsma en wie heb je nog meer, in één Kamer moeten zitten wachten tot het misschien nog een keer twaalf uur wordt. Maar het schijnt te moeten. En de hele dag op een kantoor is natuurlijk niet veel leuker.

Maar wát heeft Tofik ontdekt toen hij een keer – waar haalt dat kind de tijd vandaan – van het Binnenhof wegliep, en buiten een wereld aantrof waar het, ver over twaalven, „een nieuwe dag” was geworden? Daar bleken ze (nóg een paar metaforen) „op play” te hebben gedrukt, en „verder te kijken dan de straattaal, de huidskleur of de oorverdovende iPod”, om een voorhoede te vormen „die haar weg omhoog vindt via sport, politiek en kunst en cultuur, en in toenemende mate de middenklasse bereikt.”

Jeugdideaal: de middenklasse bereiken.

Maar GroenLinks-Kamerlid Dibi denkt dat het kan, en dat het helemaal niet moeilijk is. „In het nieuwe scenario”, schrijft hij, „staat de ongekende potentie van werk, jeugdzorg, kunst, cultuur en sport op de voorgrond”. En aan het eind van zijn manifest: „Wij hebben een begin gemaakt, maar we kunnen alleen een succesverhaal van dit scenario maken als iedereen meedoet.”

Daar was ik al bang voor toen ik begon te lezen. Tofiks oproep is nu medeondertekend door acht geestverwante jongens en meisjes – en met z’n negenen zouden ze de fractie van Femke Halsema morgen ruim kunnen vervangen. Wachten op de verkiezingen van mei 2011 betekent dat de oude hap nog weer eens anderhalf jaar vastgelijmd naar het pauzebeeld van 5 voor 12 zou moet blijven kijken.

Maar is het nou echt nodig dat er nog meer meedoen?

Pauw en Witteman – eigenlijk ontzettende miesgassers als ze geen actrice, zangeresje of polsstokhoogspringster aan tafel hebben – kraakten het hele idee, maar ik zou met al mijn vertedering voor Tofik willen zeggen: doe het vooral, jongen, maar met zo weinig mogelijk geestverwanten. Ik wil niet cynisch doen, maar denk bijvoorbeeld eens aan het christendom: dat is toch nooit meer zo top geworden als toen ze nog met z’n dertienen waren?

Alle sterkte!

Jan Blokker