De gezinsplanning is weg

Bevolkingspolitiek moet terug op de agenda.

Volgens bevolkingsexpert Steven Sinding is de huidige groei van het inwonertal in Afrika niet vol te houden.

Afrika wacht een bevolkingsexplosie: de Verenigde Naties voorspellen een verdubbeling van het inwonertal van Afrika tot 2 miljard in 2050. Dit jaar bereikt het continent naar schatting meer dan 1 miljard. En als Afrikaanse leiders, westerse donorlanden en ontwikkelingsorganisaties die bevolkingsexplosie niet snel afremmen, dreigen desastreuze gevolgen.

„Een hoog vruchtbaarheidscijfer maakt de problemen van Afrika nóg ingewikkelder”, zegt Steven Sinding, emeritus hoogleraar aan de universiteit van Columbia in New York en een autoriteit op het terrein van bevolkingsvraagstukken. „Zoals het produceren van voldoende voedsel, het bestrijden van ziektes en het voorkomen van milieuschade.”

Bevolkingspolitiek stond tot medio jaren negentig hoog op de ontwikkelingsagenda. De jaren zeventig, van grenzen aan de groei en de eerste oliecrisis, hadden geleid tot het inzicht dat de aarde niet is opgewassen tegen ongebreidelde bevolkingsgroei. Maar zo’n vijftien jaar geleden verschoof de aandacht naar de relatief nieuwe problematiek van hiv/aids. Het geld voor diensten en middelen waarmee mensen zelf hun kindertal kunnen beïnvloeden (gezinsvoorlichting, gynaecologische hulp, voorbehoedsmiddelen) kromp tussen 1995 en 2003 met 36 procent. In diezelfde tijd werd het budget voor behandeling van aidspatiënten 13 keer zo groot.

Onder invloed van alarmerende bevolkingsprognoses én het besef dat veel afhangt van populatiedruk, neemt de aandacht voor gezinsplanning nu weer toe. In Afrika krijgen vrouwen nog altijd meer kinderen dan nodig is om de bevolking gelijk te houden.

Landen als Zuid-Korea, Thailand en Taiwan hadden begin jaren zestig een vergelijkbaar welvaartsniveau als veel Afrikaanse staten destijds. Omdat de Oost-Aziatische geboortes daarna snel afnamen, kregen ze een werkende, belastingbetalende bevolking die groot was vergeleken met de zorgbehoevende populatie. Mede door deze demografische bonus groeiden ze uit tot ‘Aziatische Tijgers’.

In Afrika kan deze transitie sneller dan nu, zegt Steven Sinding: „Bijvoorbeeld door betaalbare condooms en andere voorbehoedsmiddelen te verspreiden. Door meer meisjes toegang te geven tot onderwijs – een hoger opgeleide vrouwelijke bevolking betreedt ook pas later de huwelijksmarkt. En door de toegang tot gezondheidszorg te vergroten.”

Natuurlijk, zegt Sinding, gaat het om meer dan gezinsplanning alleen. Ook een grotere arbeidsparticipatie – oftewel het creëren van meer banen – helpt bij het verlagen van het vruchtbaarheidscijfer. Net als pensioenvoorzieningen. Met name op het platteland nemen Afrikanen daartoe nog vaak extra kinderen.

Zelf „weigert” Sinding te geloven dat Afrikanen om sociale en culturele redenen condoomgebruik afwijzen, zoals vaak beweerd wordt door conservatieve organisaties die pleiten voor seksuele onthouding in de strijd tegen aids. „Onderzoek wijst uit dat miljoenen Afrikanen minder kinderen willen. Het ontbreekt ze alleen aan voorbehoedsmiddelen.” Volgens Amerikaans onderzoek wilden ouders in bijvoorbeeld Ghana in 2003 gemiddeld 3,7 kinderen, terwijl ze er 4,4 hadden.

Sinding is dan ook blij dat de Amerikaanse president Obama een einde heeft gemaakt aan een maatregel van zijn voorganger. Onder George W. Bush mochten hulporganisaties die Amerikaans geld ontvingen geen condoomgebruik of abortus propageren. „Dat leidde tot veel ongewenste geboortes, maar ook tot riskante, illegale abortussen.”

Tegelijk benadrukt Sinding dat hij tégen gedwongen geboortebeperking is. In Afrika geen éénkindpolitiek zoals in China. Die is moreel én praktisch moeilijk te verdedigen, zegt hij. „China zit nu met verhoudingsgewijs te veel mannen – en straks met te weinig jongeren.” Hij ziet ook weinig in het beperken van gratis onderwijs tot twee of drie kinderen. „Ik geloof dat mensen uiteindelijk zelf de voordelen inzien van minder kinderen.”

Vooral in relatief stabiele landen in zuidelijk Afrika zijn vruchtbaarheidscijfers de laatste jaren al gedaald. In Zuid-Afrika, Zambia en Botswana. Maar ook in Zimbabwe. De autoritaire president Mugabe steunt gezinsplanning. Bovendien werden Zimbabweanen tot in de jaren negentig goed opgeleid. Sinding: „Zimbabwe laat zien dat bevolkingsbeleid sterk afhankelijk is van de zittende leider, hoe slecht die verder ook kan zijn.”

In Rwanda moedigt president Kagame zijn onderdanen aan om minder kinderen te nemen. In 1994 werd Rwanda verwoest door een volkerenmoord die mede het gevolg was van grote bevolkingsdruk op schaarse landbouwgrond. De VN voorspellen dat het land 10 miljoen inwoners doorgroeit naar 22 miljoen in 2050.

Donorlanden hebben een speciale verantwoordelijkheid, vindt Sinding. Wanneer zij hun aandacht en geldstromen verleggen, buigen ontvangende regeringen immers vaak gewillig mee. Zoals in de jaren negentig, toen de nadruk gelegd werd op behandeling van aidspatiënten. In Kenia bijvoorbeeld werd tot dan toe gezinsplanning aangemoedigd. Sindsdien is de bevolking razendsnel doorgegroeid tot 40 miljoen mensen. Waar dat toe kan leiden, zegt Sinding, konden we vorig jaar zien, toen massa’s werkloze jongeren aan het plunderen sloegen na de verkiezingen.

In 2005 al noemden Sinding en de Britse professor John Cleland bevolkingsdruk een groter risico voor Afrika dan aids. Toch pleit Sinding er niet voor om geld voor de bestrijding van hiv/aids weer over te hevelen naar zorg voor gezinsplanning. „Combineer het. Aidspreventie is óók gezinsplanning, mits je condooms gebruikt. Dan sla je twee vliegen in één klap.”