Vergoeding van schrikschade

Is shock of verdriet na een misdrijf reden voor schadevergoeding? Of moet het bij lichamelijk letsel en verlies van inkomen blijven?

De Zaak. Na een wilde achtervolging rijdt een auto tegen een boom. De chauffeur van de andere auto wordt veroordeeld wegens doodslag. Hij had na een vermeende aanrijding de andere auto klemgereden en de vier inzittenden gesommeerd hem te volgen om de schade te ‘regelen’. Die deden dat, totdat ze bij een woonwagenkamp kwamen. Daar reden ze door, waarna de achtervolging ontstond. Drie van hen overlijden in de crash.

De familie eist van de autoverzekeraar van de dader onder meer 40.000 euro shockschade. De familie claimt geestelijk letsel te hebben door „de wijze waarop zij met de gevolgen van de gebeurtenis zijn geconfronteerd”. De rechtbank en het Hof wijzen af. De Hoge Raad kijkt opnieuw.

Staat er in de wet wel zoiets als ‘shock- of schrikschade’? De wet biedt nu weinig mogelijkheden. In artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek wordt alleen de financiële consequenties geregeld. De begrafeniskosten kunnen worden gevorderd en het zogheten ‘gederfde levensonderhoud’. In artikel 6:106 staat nog een uitzondering. De dader moet betalen als hij ook de familie van de inzittenden met opzet nadeel wilde berokkenen. Of als de familie lichamelijk letsel heeft opgelopen of door het drama in de eer en goede naam ‘in persoon’ is aangetast. Dat was niet zo.

Legde de rechter zich bij de wet neer? De Hoge Raad heeft gezegd dat hij volgens de wet geen andere overlijdensschade dan strikt materiële kan toekennen. Maar in het Taxibusarrest van 2002 is er een kleine opening gemaakt. Als de familie het drama zelf zag of „direct met de ernstige gevolgen ervan is geconfronteerd” kan er wél schrikschade worden toegekend. In de Taxibuszaak trof een moeder haar overreden kind met een vernield hoofd op straat aan. In dit geval heeft de familie het ongeluk of de slachtoffers in het wrak niet gezien. De Hoge Raad vergoedt alleen bij geestelijk letsel de shock. Maar dan moet het wel gaan om een ‘in de psychiatrie erkend ziektebeeld’. Echt letsel dus, niet het gewone verdriet.

Hoe bepleit de familie haar kant van de zaak? Die vindt dat niet zwaar moet worden getild aan de eis van ‘rechtstreekse confrontatie’. In het Taxibusarrest stond immers dat die eis ‘in het algemeen’ geldt. En deze zaak is juist bijzonder omdat de dader het ongeluk met opzet veroorzaakte. Het was een misdrijf. De aanrijding met het taxibusje was een ongeval. De familie doet een beroep op artikel 8 van het Europese mensenrechtenverdrag. De dader heeft haar grondrecht op ‘eerbiediging van het familie- en gezinsleven’ geschonden.

Wat zegt de Hoge Raad nu? Die houdt vast aan de eis dat nabestaanden direct met het ongeval moeten zijn geconfronteerd. Dat de dader met opzet handelde is geen reden deze eis te verzwakken. In de Eerste Kamer is een voorstel over affectieschade in behandeling dat meer mogelijkheden voor vergoeding biedt.

Folkert Jensma