Uitspraak 42: smartengeld alleen bij 'directe confrontatie' met het drama

auto-boomIs de shock of het verdriet na een misdrijf reden voor smartengeld? Volgens de Hoge Raad alleen als de nabestaanden direct met het drama zijn geconfronteerd. De wetgever aarzelt al jaren. Met commentaar van NJB-medewerkers Siewert Lindenbergh, hoogleraar privaatrecht in Rotterdam en Ivo Giesen, hoogleraar privaatrecht in Utrecht.


De Zaak.

Na een wilde achtervolging rijdt een auto tegen een  boom. De chauffeur van de andere auto wordt  veroordeeld wegens doodslag. Hij had na een vermeende aanrijding de andere  auto klemgereden en de vier inzittenden gesommeerd hem te  volgen om de schade te ‘regelen’. Die deden dat, totdat ze bij een  woonwagenkamp kwamen. Daar reden ze door, waarna de achtervolging ontstond. Drie van hen overlijden in de crash.

De familie eist van de autoverzekeraar van de dader onder meer  40.000 euro shockschade. De familie  claimt geestelijk letsel te  hebben door „de wijze waarop zij met de gevolgen van de gebeurtenis zijn geconfronteerd”. De rechtbank en het Hof wijzen  af. De Hoge Raad kijkt opnieuw.

Staat er in de wet wel zoiets als ‘shock- of schrikschade’?

De wet biedt nu weinig mogelijkheden. In artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek wordt alleen het huishoudboekje beschermd. De  begrafeniskosten kunnen worden gevorderd en het zogheten  ‘gederfde levensonderhoud’. In artikel 6:106 staat nog een uitzondering. De dader moet betalen als hij ook de familie van de  inzittenden met opzet nadeel wilde berokkenen. Of als de familie lichamelijk letsel heeft opgelopen. Of door het drama in de  eer en goede naam, ‘in persoon’  is aangetast. Dat was niet zo.

Legde de rechter zich bij de wet neer?

De Hoge Raad heeft gezegd dat ze volgens de wet geen andere  overlijdensschade dan strikt materiële kan toekennen. Maar in  het Taxibus arrest van 2002 is er een kleine opening gemaakt.  Als de familie het drama  zelf zag of „direct met de ernstige gevolgen ervan is geconfronteerd” kan er wèl schrikschade worden toegekend. In de Taxibus zaak trof een moeder  haar overreden kind met een vernield hoofd op straat aan.

In dit geval heeft de familie het ongeluk niet gezien noch de  slachtoffers in het wrak. De Hoge Raad vergoedt alleen de shock  als dat tot geestelijk letsel heeft geleid. Maar dan moet het wel  gaan om een ‘in de psychiatrie erkend ziektebeeld’. Echt letsel  dus, niet het gewone verdriet.

Hoe bepleit de familie zijn kant van de zaak?

Die vinden dat er niet zwaar moet worden getild aan de eis van  ‘rechtstreekse confrontatie’. In het Taxibus arrest stond immers  dat die eis ‘in het algemeen’ geldt. En deze zaak is juist bijzonder omdat deze dader het ongeluk met opzet veroorzaakte. Het  was een misdrijf. De aanrijding met het taxibusje was juist een  ongeval. Ook doet de familie een beroep op artikel 8 van het Europese mensenrechtenverdrag. De dader heeft hun grondrecht  op ‘eerbiediging van het familie- en gezinsleven’ geschonden.

Wat zegt de Hoge Raad nu?

Die houdt vast aan de eis dat nabestaanden direct met het ongeval moeten zijn geconfronteerd. Dat de dader anderen met opzet handelde  is geen reden om deze eis te verzwakken.  (In de  Eerste Kamer is een voorstel over affectieschade aanhangig dat  meer mogelijkheden voor vergoeding biedt.)

Lees hier het arrest van de Hoge Raad.

Lees hier het eerdere Taxibus arrest waarin de ´confrontatie norm´ te vinden is in overweging 5.2.

Bekijk hier het wetsvoorstel affectieschade.

Lees hier een pleidooi van NJB redacteur Ton Hartlief voor een ´stevige reactie´ van het burgerlijk recht op ´ernstige normschendingen´.

Lees hier een krantenbericht en hier een politiebericht over het ongeval uit 2001.

Reageren? Nuanceren en argumenteren verplicht. Volledige naamsvermelding.

Is de shock of het verdriet na een misdrijf reden voor schadevergoeding? Of moet het bij inkomensschade en letsel blijven?
De Zaak. Na een wilde achtervolging rijdt een auto tegen een  boom. De chauffeur van de andere auto wordt  veroordeeld wegens doodslag. Hij had na een vermeende aanrijding de andere  auto klemgereden en de vier inzittenden gesommeerd hem te  volgen om de schade te ‘regelen’. Die deden dat, totdat ze bij een  woonwagenkamp kwamen. Daar reden ze door, waarna de achtervolging ontstond. Drie van hen overlijden in de crash.
De familie eist van de autoverzekeraar van de dader onder meer  40.000 euro shockschade. De familie  claimt geestelijk letsel te  hebben door „de wijze waarop zij met de gevolgen van de gebeurtenis zijn geconfronteerd”. De rechtbank en het Hof wijzen  af. De Hoge Raad kijkt opnieuw.
Staat er in de wet wel zoiets als ‘shock- of schrikschade’?
De wet biedt nu weinig mogelijkheden. In artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek wordt alleen het huishoudboekje beschermd. De  begrafeniskosten kunnen worden gevorderd en het zogheten  ‘gederfde levensonderhoud’. In artikel 6:106 staat nog een uitzondering. De dader moet betalen als hij ook de familie van de  inzittenden met opzet nadeel wilde berokkenen. Of als de familie lichamelijk letsel heeft opgelopen. Of door het drama in de  eer en goede naam, ‘in persoon’  is aangetast. Dat was niet zo.
Legde de rechter zich bij de wet neer?
De Hoge Raad heeft gezegd dat ze volgens de wet geen andere  overlijdensschade dan strikt materiële kan toekennen. Maar in  het Taxibus arrest van 2002 is er een kleine opening gemaakt.  Als de familie het drama  zelf zag of „direct met de ernstige gevolgen ervan is geconfronteerd” kan er wèl schrikschade worden toegekend. In de Taxibus zaak trof een moeder  haar overreden kind met een vernield hoofd op straat aan.
In dit geval heeft de familie het ongeluk niet gezien noch de  slachtoffers in het wrak. De Hoge Raad vergoedt alleen de shock  als dat tot geestelijk letsel heeft geleid. Maar dan moet het wel  gaan om een ‘in de psychiatrie erkend ziektebeeld’. Echt letsel  dus, niet het gewone verdriet.
Hoe bepleit de familie zijn kant van de zaak?
Die vinden dat er niet zwaar moet worden getild aan de eis van  ‘rechtstreekse confrontatie’. In het Taxibus arrest stond immers  dat die eis ‘in het algemeen’ geldt. En deze zaak is juist bijzonder omdat deze dader het ongeluk met opzet veroorzaakte. Het  was een misdrijf. De aanrijding met het taxibusje was juist een  ongeval. Ook doet de familie een beroep op artikel 8 van het Europese mensenrechtenverdrag. De dader heeft hun grondrecht  op ‘eerbiediging van het familie- en gezinsleven’ geschonden.
Wat zegt de Hoge Raad nu?
Die houdt vast aan de eis dat nabestaanden direct met het ongeval moeten zijn geconfronteerd. Dat de dader anderen met opzet handelde  is geen reden om deze eis te verzwakken.  (In de  Eerste Kamer is een voorstel over affectieschade aanhangig dat  meer mogelijkheden voor vergoeding biedt.)