Tussen herstel en dip

Blijven stimuleren of langzaam de teugels aanhalen? Nu de tekenen van economisch herstel wat overtuigender worden, verhevigt de discussie over de timing en wijze van het terugdraaien van de uitzonderlijke steunmaatregelen voor economie en financiële sector. De Europese Centrale Bank maakte vorige week bekend dat de volgende ultragoedkope noodlening aan de banksector (een jaar geld voor slechts 1 procent rente) in december, de laatste zal zijn in haar soort. De Europese Commissie dringt aan op het terugdringen van opgelopen begrotingstekorten bij de lidstaten. Ook in de Verenigde Staten klinkt de roep om normalisering. President Obama onderstreepte onlangs dat de Amerikaanse staatsschuld niet verder mag oplopen. Die visie komt terug in het Overzicht Financiële Stabiliteit, dat gisteren door De Nederlandsche Bank (DNB) werd gepubliceerd.

De boodschap snijdt hout. Het onbeperkt verlenen van liquiditeitssteun aan banken is in wezen een grootscheepse vorm van subsidie. DNB merkt op dat banken die voor 1 procent lenen bij de centrale bank, daar staatsobligaties met 3,5 procent rente voor terugkopen. Dat is winst als water uit de kraan en wellicht noodzakelijk om het vermogen en de winstgevendheid weer op peil te krijgen. Maar het scheppen van geld op de schaal waarop dat nu in het hele Westen plaatsvindt is niet zonder gevaar. Hier en daar wordt in de hoge goudprijs een teken gezien dat er als gevolg van het huidige beleid een reële kans bestaat op inflatie.

Riskant is ook de stijging van de staatsschulden. Niet alleen omdat toekomstige generaties die zullen moeten aflossen, maar ook omdat de verleiding om een hogere inflatie toe te staan toeneemt naarmate de schuld een zwaardere last wordt. Als het wantrouwen van beleggers in de staatsschuld eenmaal toeslaat, en de rentes fors stijgen, dan worden de begrotingsproblemen alleen maar groter. Een nieuwe recessie, een ‘dubbele dip’, dreigt dan.

Daartegenover staat dat het economisch herstel broos is, en voor een flink deel nog gebaseerd op noodmaatregelen. De financiële sector is nog lang niet boven water, getuige de extra steun van 4,4 miljard euro die minister Bos (Financiën, PvdA) nog vorige week uittrok voor ABN Amro/Fortis.

Directeur Strauss-Kahn van het Internationaal Monetair Fonds waarschuwde gisteren daarom juist voor een te snelle aftocht. Eerst moet volgens hem worden gewacht op een bewijs dat het economische herstel stevig genoeg is, anders bestaat het risico dat de conjunctuur nogmaals een duikvlucht neemt. De ‘dubbele dip’ is in deze visie dus een reëel gevaar.

Prudentie strijdt hier met prudentie. De waarheid ligt ditmaal vermoedelijk in het midden. Duidelijk is dat de steun aan de financiële sector fasegewijs en voorzichtig moet worden afgebouwd: eerst de liquiditeitssteun, dan de staatsgaranties op bankleningen en vervolgens de kapitaalsdeelname van de overheden. Het ligt voor de hand dat de begrotingen zo snel mogelijk weer in balans moeten worden gebracht. Maar haast lijkt in dit geval niet de beste raadgever.